Dietrich Eckart

Uit Paraplu
Ga naar:navigatie, zoeken

“Nirgends auf Erden ein anderes Volk, das fähiger, gründlicher wäre, das dritte Reich zu erfüllen, den unseres! Veni creator spiritus!” - Dietrich Eckart, 1919, Auf gut Deutsch nr 19/20.

Eckart 2010 10.jpg
Haus Sonneblick, Lochsteiner Strasse 21, Berchtesgaden.
Hier is Dietrich Eckart “Den ersten Denker der Bewegung” gestorven.



DSC 1091 2 3 4 5 6 7HDRI.jpg
De Untersberg gezien vanaf de Lochsteiner Strasse in Berchtesgaden.



Dietrich Eckart (23 maart 1868 – 26 december 1923) wordt algemeen als één van de belangrijkste personen uit de beginjaren van het Nazisme gezien, maar wordt ook vaak afgeschilderd als een tragische mislukte man.

Er kan zonder overdrijven gesteld worden dat Eckart de man achter de opkomst van Hitler en de NSDAP was. Eckart beschouwde zichzelf als de geestelijke kern van de beweging, en werd ook als zodanig door de Nazi’s geëerd. Hitler zag zichzelf als een discipel en bewonderaar van de 21 jaar oudere Eckart, die “de oude man” in het jonge Nazi gezelschap was. Hitler noemde Eckart in het publiek zijn vaderlijke vriend. Volgens Hitler had Eckart gedichten geschreven zo mooi als die van Goethe. In een zitting van de Bayerischer Landtag in december 1922 werd gesproken over Eckart als “dem geistigen Führer” van deze “sonderbaren Bewegung”, de NSDAP. Na zijn dood genoot Eckart de roem van een “Märtyrer der deutschen Freiheitsbewegung“.

Eckart 2010 01 lowres.jpg
Bij ons bezoek in 2010 brandt er een juist ontstoken kaars bij het goed onderhouden graf.



“So kommt es, daß auch jetzt noch bei jedem Gedenken an der unerschrockenen Mann seelische Kraftströme vom Grab in Berchtesgaden ausgehen”. - Alfred Rosenberg, 1928, inleiding van “Dietrich Eckart, Ein Vermächtnis”.

Over Eckart

Image4216.JPG
Image4202.JPG



Eckart was groot aanhanger van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer, waarvan in 1819 het boek “Die Welt als Wille und Vorstellung” was verschenen. Schopenhauer neemt aan dat de lezer van zijn boek bekend is met de Veda’s, Plato en Kant. In de wereld van Schopenhauer spelen altruïsme en kunst belangrijke rollen. Eckart was naast Schopenhauer geïnspireerd door de 17’ eeuwse mysticus Angelus Silesius en de “indische Mayalehre”. De Veda’s vormen voor Eckart het begin van de cultuur. Nietzsche werd door hem verheerlijkt, maar nadat Eckart het Christendom als “Ursprung der höchsten Kultur” had ontdekt was dat voorbij. Hij was een romanticus in de traditie van Goethe, het gevoel was veel belangrijker dan de rede. Hij geloofde helemaal in Madame de Staël’s beeld van Duitsland: “Deutschland das land der Dichter und Denker“. Eckart noemt zichzelf met zijn favoriete “von Haus aus” frase: “van huis uit monarchist”. Hij was sterk nationalistisch ingesteld, sterk gekant tegen de parlementaire democratie en tegen de scheiding van kerk en staat. Volgens hem was het parlement een Joodse (anti-Christ) uitvinding. Eckart had een voorliefde voor “sterke mannen”. Bismarck (Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen, 1815-1898, De IJzeren Kanselier die de vader van de huidige Bondsrepubliek Duitsland is) was zijn idool. En Keizer Wilhelm II (Friedrich Wilhelm Viktor Albert von Preußen, 1859-1941) heeft een belangrijke rol in zijn leven gespeeld.

Eckart stond bekend om zijn agressieve harde schriftelijke aanvallen op mensen, het gevolg was dat er van 1919 tot 1923 in München zes rechtszaken tegen hem liepen en daarbuiten nog 5 andere rechtszaken, allemaal voor belediging. En het riep uiteraard grote weerstand op, de “Münchner Post” richtte zich altijd vooral op de “woedende antisemiet” Eckart als er in die courant een aanval op de NSDAP werd gepubliceerd.

In Eckarts leven kunnen twee perioden worden onderscheiden, de overgang is gelegen in de herfst van 1915. Toen verliet hij Berlijn en ging in München wonen. Zijn eerste periode wordt over het algemeen als niet succesvol beschreven en zijn politieke instelling in de latere periode wordt verklaard vanuit frustraties daarover. Eckart geeft daar zelf alle aanleiding toe door de emoties van het Teutoonse slachtofferschap tot grote hoogtes op te voeren. De kritieken op het artistieke niveau van zijn werk, zullen hem gekrenkt hebben. Maar het succes in de kringen rondom Keizer Wilhelm II moet niet worden vergeten. Op dat succes is zijn latere invloed gebouwd.


De eerste jaren

Johann Dietrich Eckart werd op 23 maart 1868 in Neumarkt in der Oberpfalz, een stadje ten zuidoosten van Nürnberg, geboren als zoon van de koninklijke notaris Georg Christian Eckart. Zijn vader genoot in de omgeving groot aanzien. Eckarts moeder, geboren Bösner, stierf toen hij 10 jaar oud was. Zijn vader was druk en had weinig tijd voor de opvoeding, de kleine Dietrich moest zijn eigen weg zoeken. Naar eigen zeggen zou hij zeven verschillende middelbare scholen hebben bezocht. In 1888 begon hij een studie medicijnen aan de universiteit van Erlangen. Hij stopte daar in 1891 mee en was vervolgens twee jaar ziek. Waar het precies om gaat is onduidelijk, er wordt gesproken over een “schweren, schmerzhaften Krankheit”, morfine gebruik en een verblijf in een psychiatrische kliniek. Hij is zijn hele leven verslaafd aan morfine gebleven. In 1895 stierf ook zijn vader en erfde hij een aanzienlijk vermogen. De daarop volgende vier jaar ging hij op reis en verbleef langere tijd in Leipzig, Berlijn en Regensburg. Hij werd overal snel het middelpunt van een grote vriendenkring, Eckart leidde geen frustrerend sociaal leven. Eckart stond er om bekend dat hij anderen snel met geld hielp. Maar in 1905 raakte zijn geërfde kapitaal door ziekte op en kwam hij zelf ook regelmatig in geldnood, wat altijd weer via relaties werd opgelost.

Aan het eind van 1895 verscheen het verslag van zijn reis door Duitsland onder de titel “Tannhäuser auf Urlaub”, een “sozialpolitische Studie” waarmee Eckart optreedt als advocaat van het “mißhandelten Volk”. In dit boek maakt hij al een begin met de gedachte dat Christendom en Socialisme hand in hand moeten gaan voor een betere toekomst van de Duitsers en de mensheid. Vanaf 1899 werkte hij in Berlijn als journalist voor o.a. de “Berliner Lokalanzeiger”, “Der Morgen” en het theaterblad “Bühne und Brettl”.

Eckart was succesvol in het schrijven van reclameteksten (Werbetexter) en ook als journalist kon hij wel werk vinden. Maar met zijn artistieke aspiraties ging het moeilijker. Vanaf 1901 tot 1916 heeft hij tien toneelstukken geschreven. In december 1904 werd zijn eerste toneelstuk, de “Familienvater” in het Regensburger Stadttheater opgevoerd. Door de critici werd zijn werk niet goed ontvangen en geen van de eigen stukken kwam verder dan de eerste opvoeringen. Een voorbeeld zijn de kritieken op de “Froschkönig” dat op 25 november 1905 in de “Königlichen Schauspielen” in Berlijn in première ging en vervolgens in Leipzig, Nürnberg en Hannover is opgevoerd. In de “Preußischen Jahrbüchern” stond dat de auteur “obwohl er seinen Schopenhauer gründlich gelesen, … zum Philosophen nicht tauge”. Hem wordt de raad gegeven zijn komedies in het vervolg niet te doorspekken met filosofische frasen. Journalist Julius Keller van het “Berliner Tageblatt” schreef over dit stuk: “Die sogenannte Komödie des Herrn Eckart ist eine einzige Phrasengeschwulst, die reichlich Unsinn auseitert”. (*1, blz. 20) Deze kritiek heeft hem gekrenkt, en zijn beleving van Teutoons slachtofferschap maakte dat hij tegen zijn omgeving zei dat hij zijn volgende stuk onder een Joodse naam zou publiceren. Belangrijk is dat Keizer Wilhelm II wel een groot liefhebber was vanwege het sterk nationalistische karakter van Eckart’s werk.

Image4209.PNG


Keizer Wilhelm II en Peer Gynt

De vertaling en interpretatie van Henrik Ibsen’s toneelstuk “Peer Gynt” was het enige succes van Eckart op theatergebied. De zoon van Ibsen wilde de rechten niet geven omdat de bewerking hem niet beviel, er bestond al een goede Duitse uitvoering van het stuk, maar op uitdrukkelijke wens van Keizer Wilhelm II kreeg Eckart toch de rechten. Op 18 februari 1914 was de première, het stuk kende 183 uitvoeringen en liep tot de Hofbühne in 1918 werd opgeheven. Bijna elke voorstelling was uitverkocht. Peer Gynt werd twee keer achter elkaar door Keizer Wilhelm II bezocht die zeer enthousiast was. Volgens de gegevens over het repertoire van de “Königlichen Schauspiele” over de periode 1903 tot 1918 was het stuk “Rabensteinerin”van Ernst von Wildenbruch dat 245 keer werd uitgevoerd, het enige stuk dat vaker op de Hofbühne is gespeeld dan Eckart’s versie van “Peer Gynt”.(*1, blz.22). De meningen van de critici waren verdeeld, enerzijds de aanhangers van de nationalistische breedsprakige uitvoering van Eckart, en anderzijds de liefhebbers van de al bestaande Duitse vertaling. Bij Eckart ontstond door alle kritiek geen gebrek aan zelfvertrouwen, integendeel. In reacties op kritiek schreef hij in december 1908 aan Hülsen: “An meinem Talent kann es nicht liegen, daß ich dem Abgrund immer näher treibe…. Auch an meinem Fleiß kann es nicht liegen…. Es muß also an meiner Weltanschauung liegen, an meiner Feindschaft gegen alles Flache, Angefressene unserer Zeit, und an der Schärfe, mit der ich unwillkürlich meiner Gesinnung den plastischen Ausdruck gebe”. Eckart stelt dus dat de afkeurende reacties juist een gevolg zijn van de te grote kwaliteiten van zijn persoon en zijn werk. Het idee van de Übermensch die slachtoffer is omdat alle anderen zo dom zijn en laag staan, is een pijler van het Teutoonse slachtofferschap.

Toen Keizer Wilhelm II ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter met de hertog van Braunschweig een toneelstuk wilde laten opvoeren, benaderde de intendant van het hoftheater Eckart vanwege het succes met Peer Gynt. De Hohenstaufen keizer Heinrich VI zou onderwerp van het drama worden. Maar het schrijven duurde zo lang, dat het huwelijk niet gehaald werd. Toch was men tevreden na de eerste opvoering op 30 januari 1915, het was net oorlog en het nationalistische karakter viel in goede aarde. Intendant Graf Georg von Hülsen-Haeseler schreef aan Eckart in zijn reactie: “Alle wichtigen Probleme der Gegenwart werden angeschnitten im nationalen Sinne” (*1, blz.25) Maar het bleef bij zes uitvoeringen omdat het stuk door zijn aggressieve toon “London unnütz reizen” kon. Eckart was altijd heel hard en agressief in zijn taalgebruik en is in kunstenaarskringen nooit geaccepteerd, maar in de nationalistische hofkringen was hij op zijn plaats en tot 1918 genoot hij substantiële inkomsten van het hoftheater. Dat inkomen en aanzien is later van pas gekomen. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog wilde Eckart uit nationalisme mee gaan vechten, maar de keizerlijke Intendant Hülsen heeft hem daarvan weerhouden, in een brief aan Eckart stelde Hülsen aan Eckart voor: “sich in der Heimat zur Hebung der heimatlichen Begeisterung auch weiterhin dichterisch zu betätigen” (*1, blz. 27)

De voorliefde van de sterk nationalistische Keizer Wilhelm II voor militair vertoon is van grote invloed op de Europese geschiedenis geweest. Hij heeft de macht in Duitsland feitelijk al voor de opheffing van het keizerrijk uit handen gegeven aan de militaire leiding in de personen van de generaals von Hindenburg und Ludendorff. Deze hebben de macht weer overgedragen aan de Nazi’s. Mede door invloed van Wilhelm II en Bismarck is in Duitsland een cultuur ontstaan waarin het nationaal-socialisme kon gedijen. En via zijn steun aan Dietrich Eckart heeft de keizer weliswaar niet intentioneel, maar wel causaal, een belangrijke rol gespeeld bij de vorming van het nationaal-socialisme.

De geallieerden wilden Keizer Wilhelm II na de Eerste Wereldoorlog arresteren als oorlogsmisdadiger. Waarop hij in ballingschap ging in Nederland, en wij weigerden hem uit te leveren. In totaal kwamen 59 wagonladingen spullen van de keizer na. Koningin Wilhelmina is voor zover bekend nooit op bezoek geweest, prins Hendrik, prinses Juliana en prins Bernhard wel. Hij stierf in 1941 in Doorn. In januari 1921 ontstond er opwinding in Nederland door de verschijning van het boek “The ex-Kaiser in exile” bij uitgeverij Hodder and Stoughton in Londen van Lady Norah Ida Emily Bentinck. Zij schreef tegen de gebruiken in over haar ontmoeting met de oude Keizer, waarin werd vermeld dat hij stukken uit de Procollen van de wijzen van Zion na het diner aan zijn gasten voorlas en hun aanraadde die tekst te lezen.


München

Om het Hohenstaufendrama te schrijven was Eckart gaan wonen in sanatorium Schwarzeck in Thüringen. Eckart trouwde met de zuster van de eigenaar, de niet onbemiddelde weduwe en moeder van drie kinderen, Rose Marx (geboren Wiedeburg). Nadat het stuk af was, in de herfst van 1915, ging de familie Eckart in München wonen. Het Völkische blad “Unser Vaterland” nam hem in 1916 op in de serie “vaterländischen Dichtern” en de “Kürschners deutscher Literaturkalender” vond hem in 1917 ook noemenswaardig. (*1, blz. 27) Eckart was een gerespecteerd burger geworden.

Hij ontving in die tijd een inkomen uit de Peer Gynt uitvoeringen en uit reclame teksten. Met dat geld stichtte hij zijn eigen in München gevestigde uitgeverij “Hoheneichen-Verlag”. Hoheneichen is tot het eind van het Derde Rijk blijven bestaan. In mei 1929, meer dan vijf jaar na de dood van Eckart, werd Hoheneichen een onderdeel van Franz-Eher-Verlag, de partijuitgeverij van de NSDAP. Hoheneichen werd het “Verlag der Hohen Schule” van de partij. Bij Hoheneichen verschenen nationaal-socialistische werken die niet direct met de NSDAP moesten worden geassocieerd. In München bewoog Eckart zich actief in politieke en Völkische kringen. Opmerkelijk is dat hij nooit officieel lid van enige beweging of partij is geworden, dit tot ontsteltenis en groot ongenoegen van de latere Nazi biografen. Hij is ook nooit formeel lid van de völkische Thule organisatie geweest. Maar het staat wel vast dat er stevige banden tussen Eckart en Thule hebben bestaan. Dit wordt wel in twijfel getrokken vanwege het ontbreken van formele banden, maar gegeven de persoon Eckart is het ontbreken van een formeel lidmaatschap geen ontkenning van intensieve betrokkenheid. In de tijd van 1914 tot 1916 wordt zijn anti-semitisme veel sterker en in München gaat hij zijn ideeën steeds zichtbaarder uitdragen. In 1917 verscheen in de Münchner Zeitung een stuk van Eckart met de titel “Christus, Buddha und Nietsche”, daarin gaat het al over de “seelischen Überlegenheit des deutschen Volkes”. En in voorjaar 1918 verschijnen vier artikelen in “Deutsches Volkstum” waarin hij schrijft dat de Joden naar wereldheerschappij streven. In de herfst 1918 begint hij te werken voor de aan de Thule organisatie gelieerde courant “Münchner Beobachter”. Deze krant zal enige jaren later met zijn hulp in handen van de NSDAP komen.


Auf gut Deutsch

De Duitse novemberrevolutie betekende het einde van de Keizer. Het begon met de matrozenopstand in de nacht van 29 op 30 oktober 1918 in Kiel tegen het geheim gehouden “Flottenbefehl vom 24. Oktober 1918” van admiraal Scheer. De Duitse marinestaf en de Obersten Heeresleitung (OHL) hadden besloten om de Duitse marine voor een laatste grote slag met Engeland uit te laten varen, voor een glorie of ondergang aktie. De muiterij van de matrozen escaleerde binnen enkele dagen tot de november revolutie van 1918/19 en de uitroeping van de republiek op 9 november 1918. Met het aannemen van de grondwet van de Weimar republiek op 11 augustus 1919 kwam er een formeel einde aan de Duitse novemberrevolutie.

Op 8 november 1918 riep Kurt Eisner in München de republiek uit. De Beierse Koning Lodewijk III viel en de Wittelsbacher dynastie werd van de troon gestoten. Eisner werd minister-president van de socialistische “Freistaat Bayern”. Eisner was lid van de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands een afsplitsing van de SPD. Een periode van experimenten met openbaar bestuur en chaos begon, de “linkse” fracties bevochten elkaar op leven en dood en de macht wisselde soms per week. Er ontstond geen stabiele regering.

De Joodse Eisner publiceerde in december 1918 documenten om te bewijzen dat Duitsland hoofdschuld aan de Eerste Wereldoorlog had, dat maakte hem niet populair in bepaalde kringen. Op 21 februari 1919 was Eisner op weg naar de landdag om zijn ontslag aan te bieden, toen hij werd vermoord door de rechts-extreme jonge officier graaf Anton von Arco auf Valley. Maar er werd een samenzwering vermoed waarbij de sociaal-democraten achter de aanslag op Eisner zaten. Die dag vonden diverse aanvallen uit diverse wraak motieven plaats en vervolgens werd de sinds enige weken bestaande Münchense radendemocratie met veel geweld en verlies van levens door de Freikorpsen neergeslagen. De Freikorpsen bestonden uit de verslagen en gedemoraliseerde soldaten van de Eerste Wereldoorlog die door deel te nemen in een vrijwillig mini-leger, een Freikorps, het militaire leven zo goed mogelijk voort konden zetten. De gewelddadige macht van de NSDAP kwam uit de Freikorpsen voort.

De revolutie in Duitsland en vooral Beieren maakte dat Eckart zich helemaal aan de politiek ging wijden. Zes maanden na die gebeurtenissen startte Dietrich Eckart met de uitgave van zijn als weekblad aangekondigde “Auf gut Deutsch – Wochenschrift für Ordnung und Recht” In dit blad zouden veel van de gevreesde woorden en begrippen die iedereen kent van het nationaal-socialisme voor het eerst worden gebruikt. Eckart vroeg aan Het Nationaal Socialisme von Sebottendorf om financiële steun, maar die weigerde omdat hij al het “Thule-gesellschaft” en de “Münchner Beobachter” financierde. De “Münchner Zeitung” gaf toen de gevraagde 10.000 Mark als steun. (*1, blz. 33). Auf gut Deutsch verscheen onregelmatig en soms zat er wel een maand tussen de nummers, in totaal verschenen 56 nummers met hoofdzakelijk filosofische artikelen. Er zou ook geld uit Argentinië en Amerika zijn gekomen, die landen duiken steeds weer op in de verhalen over de financiers van de Nazi’s maar concrete namen zijn niet gezien. En ook de toenmalige baas van Hitler, de “Leiter der Presse- und Propagandaabteilung und der Aufklärungskurse beim Reichswehrgruppenkommando 4 der bayerischen Reichswehr, Hauptmann Karl Mayr” steunde Eckart en “Auf gut Deutsch” aktief.

De enige vaste medewerker van het blad was de 25 jaar jongere Alfred Ernst Rosenberg (31-12-1893-1946), die in Riga en Moskou architectuur had gestudeerd. Rosenberg is de geschiedenis ingegaan als de officiële chef ideoloog van de NSDAP en als een hoofddader in de Neurenberger processen tot de doodstraf veroordeeld. In de winter van 1918/19 woonde Eckart in de Tengstraße 38 in München, waar Rosenberg hem opzocht omdat hij ook over “Bolschewischmus und der Judenfrage” wilde gaan publiceren. Rosenberg die uit de baltische landen naar München was gekomen zegt over Eckart: “Eckart bedeute für mich Anschluß an München, mein Schicksal” (*1, blz. 36). Toen Eckart de leiding van de Völkische Beobachter overnam, ging Rosenberg mee en deed het eigenlijke werk. Beide waren grote aanhangers van Schopenhauer.

In Auf gut Deutsch werden de Weimar Republiek en het verdrag van Versailles hevig aangevallen en de Dolchstoßlegende werd gepropageerd, volgens welke Duitsland het slachtoffer was van een Joods-Bolsjewistisch complot waardoor de Eerste Wereldoorlog was verloren.


De arbeiders

Karl Graf von Bothmer werkte van januari tot mei 1918 voor “Auf gut Deutsch”. Vanaf 1919 gaf hij met hulp van Eckart het blad “Die Rote Hand” uit, dit is het eerste echte nationaal-socialistische blad en von Bothmer heeft Eckart zeer waarschijnlijk beïnvloed met zijn socialisme. Bothmer hield ook politieke “Aufklärung” voorlichtingslezingen voor de mannen van “kommando 4” van Karl Mayr, en Hitler was daarbij één van de toehoorders. Onder invloed van von Bothmer en teleurgesteld over de burgers die zich door de materialisten (= communisten ) onder de voet lieten lopen, vestigde Eckart zijn hoop op de arbeiders. Alleen vanuit de arbeidersklasse zou een vernieuwing van Duitsland kunnen ontstaan. Op 6 april 1919 deelde Eckart 100.000 vlugschriften uit met de titel “An alle Werktätigen” waarin hij tot aktie tegen de aanstaande wereldheerschappij van de Joden opriep. Het werd door Freikorps leden vanuit auto’s in de straten van München geworpen. Eckart liet ook als eerste de ingenieur Gottfried Feder aan het woord in “Auf gut Deutsch”. Op 17 mei 1919 verscheen zijn “Manifest zur Brechung der Zinsknechtschaft” in “Auf gut Deutsch”, dus nog vóór de publikatie bij uitgeverij C.-Huber-Verlag. In het daarop volgende nummer van “Auf gut Deutsch” verscheen een verhandeling van Feder over de “Sozialen Staat”.

Toen von Bothmer zich aansloot bij de Beierse seperatisten eindigde de vriendschap met Eckart die voor een bond van Beieren met Pruisen was. Vanaf dat moment werd von Bothmer hard aangevallen in “Auf gut Deutsch”. Maar het socialisme is niet meer verdwenen uit Eckart’s denken.


Anti-semitisme, “Geheimnisse der Weisen von Zion

Anti-semitisme is in veel tijden op veel plaatsen voorgekomen. In de 400 jaar voorafgaand aan de afschaffing van de Engelse monarchie in 1649 door Oliver Cromwell was het Joden verboden om zich in Engeland te vestigen. En ook in Frankrijk kregen Joden pas rechten na de Franse revolutie waarin vrijmetselaren een belangrijke rol speelden. Het idee dat revolutie, vrijmetselarij en het verkrijgen van normale burgerrechten door Joden samen hingen is dus terecht. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap is immers het motto van de verlichting. Dat dit een gruwel was voor een conservatieve anti-revolutionair als Eckart is begrijpelijk en potentiële kiemen voor zijn anti-semitisme kunnen met gemak worden gevonden. Ook in de rest van de wereld was het anti-semitisme overigens niet verdwenen met de opkomst van de verlichting. Het boekje met de titel “Protokolle der Weisen von Zion” viel dan ook overal in vruchtbare aarde. Het verhaal van dit boek is uitgebreid en hier kan alleen een beknopte beschrijving van de geschiedenis van het geschrift volgen. In 1864 verscheen in Genève en later in Brussel het boek “Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu” van de Parijse advocaat Maurice Joly (1829 - 1878). Het was een beschrijving van de ontmoeting tussen Machiavelli en Montesquieu in de hel, bedoeld als satire op het corrupte regime van Napoleon III. Joly schijnt het weer voor een groot deel af te hebben gekeken uit “Les Mystères du peuple” van Eugene Sue (1849-1856). Napoleon III was een dictatoriaal heerser en toen het boek Frankrijk binnenkwam werd het in beslag genomen. Joly werd als schrijver ontmaskerd en kreeg daarvoor 15 maanden gevangenisstraf. Een exemplaar van het boek schijnt mee te zijn genomen naar Rusland door een agent van de Okhrana, de geheime dienst van de Tsaren. Bij de Russische revolutie waren later enige gezichtbepalende Joden betrokken; Leon Trotsky (Lev Davidovich Bronstein) aan het hoofd van het Rode Leger en één van de eerste leden van het Politburo, Grigori Zinoviev (Ovsei-Gershon Aronovich Radomyslsky) als voorzitter van uitvoerend comité van de Comintern organisatie die de revolutie over de aarde moest verspreiden en Lev Kamenev (Rosenfeld) als Lenin’s rechterhand en eerste president van de USSR. De keizerlijke geheime dienst had er dus belang bij om Joden in diskrediet te brengen en zag in het verhaal van Joly een mooi plot. De sprekers werden veranderd, Machiavelli en Montesquieu werden de raad van wijzen van Zion. En het boekje met het verzonnen complot zou binnen korte tijd in de hele Westerse wereld stof doen opwaaien.

Alfred Rosenberg was één van de Russische emigranten die de “Protokolle der Weisen von Zion” in Duitsland introduceerde. In de zomer van 1917 zou een onbekende het boek bij hem in München hebben gebracht. Het bleek de versie van Sergei Nilus te zijn en het werd de basis van Rosenbergs rassentheorie. Eckart geloofde helemaal dat de protokollen van Zion daadwerkelijk een verslag waren van geheime bijeenkomsten tijdens het eerste Zionistische Wereldcongres dat daadwerkelijk in 1897 in Basel plaats vond. Maar bijvoorbeeld ook de latere Engelse premier Churchill schreef op 8 april 1920 het volgende in de Illustrated Sunday Herald waarin hij op de dreiging van het Bolsjewisme ingaat: “This worldwide conspiracy for the overthrow of civilisation and for the reconstruction of society on the basis of arrested development, of envious malevolence, and impossible equality has been steady growing… There is no need to exaggerate the part played by the creation of Bolshevism and in bringing about of the Russian revolution by these international and for the most part atheistical Jews. It is certainly a very great one; it probably outweighs all others “. Amerikaanse en Engelse diplomaten stuurden bericht aan hun diensten dat de revolutie van een internationale Joodse samenzwering uitging, het was een vorige aflevering van het Al Qaida verhaal.

Een maand later, op 8 mei 1920, schreef de Times over de protocollen en vroeg zich af of deze echt waren. En wel op de volgende toon: “Have we, been struggling these tragic years to blow up and extirpate the secret organisation of German World domination only to find beneath it another, more dangereous because more secret? Have we, by straining every fibre of our national body, escaped a “Pax Germanica” only to fall into a “Pax Judeica”?”. Diverse bladen schreven over de protocollen en in de Spectator werd opgeroepen om een Royal Commission voor een onderzoek in te stellen: “We must drag the conspirators in the open, tear off their ugly masks and show the world how ridiculous as well as how evil and dangerous are such pests of society”. In Amerika schreef de Christian Science Monitor: “It could be a tremendous mistake to conclude that the Jewish peril… does not exist… That a secret political organisation exists, working unremittingly… is, to the man who can read the sign of the times, a thing unquestionable”. (*2, blz. 28) Na de publicatie in de Times werd Philip Graves, de Times correspondent in Constantinopel, benaderd door een Russische vluchteling die hem informatie verschafte over de Joly bron. (*2, blz.34). In augustus 1921 werden de bevindingen van Graves in drie opeenvolgende artikelen in de Times geplaatst onder de kop “The End of the Protocols”. In Engeland was het gedaan met de geloofwaardigheid en invloed van het verzonnen verhaal. Maar het blijkt niet zo eenvoudig om een verzonnen geschiedenis-geest weer in de fles te krijgen, met de protocollen is het nog steeds niet helemaal gelukt.

Henry Ford, de pionier van de industriële productie van auto’s en de opbouw van een arbeiders-consumptie maatschappij, gaf zijn geloof in de protocollen ook niet zo snel op. Hij is uiteindelijk wereldwijd de grootste promotor van deze samenzweringstheorie geweest. In januari 1919 begon Ford met een eigen krant, de Dearborn Independent, om invloed op de openbare mening en politiek te kunnen hebben. Het werd via alle Ford dealers verspreid en kende al snel een oplage van ruim 300.000 exemplaren. Henry Ford had een eigen column: “Mr. Ford’s Own page”. In april 1919 verscheen het eerste artikel over het Russische Bolsjewisme. Een stroom politieke en anti-semitische artikelen begon en op 22 mei 1920 begon een serie artikelen onder de naam:”The International Jew: The World’s Foremost Problem”. Vanaf 26 juni 1920 werden de Protocollen van de wijzen van Zion gepubliceerd als deel van de “International Jew” serie. Toen de serie klaar was, werd het als brochure gepubliceerd en er werd vijf miljoen dollar ter beschikking gesteld voor de distributie. In Amerika werden een half miljoen exemplaren voor de gesubsidieerde prijs van 25 dollar cent verkocht. Ford’s steun voor dit verhaal verleende het grote geloofwaardigheid, in Amerika en daarbuiten. Het was dus helemaal niet vreemd om in de protocollen te geloven, en in Duitsland paste het protocollen verhaal heel goed bij de Zeitgeist. Het is logisch dat een samenzweringstheorie goed paste bij de belevingswereld van de verslagen Duitsers die de chaos van een uiteenvallend keizerrijk meemaakten. In 1919 gaf Gottfried zur Beek het boekje “Geheimnisse der Weisen von Zion” als vervolg uit, met daarin de beschrijving van een deutsche Judenorde die geen redelijk mens kan geloven. Maar Eckart nam het serieus en de tekst werd in Auf gut Deutsch overgenomen. Er werden 25 vorderingen geformuleerd, die er op neer kwamen dat de Joden onder vreemdelingenrecht moesten vallen, in Ghetto’s moesten leven en verbannen werden uit het openbare leven. Maar een “Lösung mit dem Schwert” werd uitgesloten.


Eckart’s vorm van anti-semitisme

Eckart’s opvatting over anti-semitisme is behoorlijk curieus en ouder dan zijn contact met de protocollen van Zion. Het is metafysisch van aard en heel erg ver in het hoofd gezocht. Eckart ziet de wereldgeschiedenis als één groot samenhangend eenvoudig verhaal dat kan worden samengevat als een strijd tussen goed en kwaad, waarbij het kwaad de drijvende kracht van de geschiedenis is. Voor hem staat Duitser voor het zuivere geestelijke, het goede en Jood staat voor het zuivere stoffelijke, materiële, het kwaad. Het is een Yin/Yang theorie. Eckart schrijft: “Die grundsätzliche Ablehnung oder wenigstens Geringschätzung des Diesseits ist spezifisch arische Weltanschauung. Von den Veden angefangen bis hinauf zu Kant und Goethe ist sie der Grundung arischen Fühlens: ja, ich behaupte, Arier sein und transzedent empfinden ist ein und dasselbe.” (*1, blz.46). Volgens hem overheerste in veel Duitsers zelf eigenlijk de “Jood“, dat waren de “lauwwarme Brüder” de “verjudeten Deutschen”. Met een middeleeuws begrip aangeduid als de “Judentzer”, daarin was de anarchist al vanzelf aanwezig: “Es ist der Weg nach links, den solche Leute von haus aus gehen … So steckt in jedem politisierden Judentzer bereits der Anarchist” (*1, blz.48)

Joden zouden volledig materialistisch zijn en geen enkel gevoel voor het hiernamaals hebben. De Jood (in de mens) kent geen “Jenseitsgedanke” en geen “Weltverneinung” in plaats daarvan kent de Jood een volledige “Weltbejahung”, het zijn “Diesseitsmenschen”. Een uitleg van het zwaar Duitse woordenspel met de begrippen “Weltverneinung” en “Weltbejahung” laat ik hier aan een zoektocht door de lezer over. In Eckart’s visie staat de Duitser aan de top van het verlicht zijn, de Jood onderaan. Engelsen en Fransen zitten tussen Jood en Duitser in, ze kennen nog “einige Jensetsgedanken“. Eckart schrijft: “Vor den Himmelsgluten Goethe, Kant und Schopenhauer verblaßt sogar der Stern Shakespeare zu einem fast scheinlosen Punkt; gar nicht zu reden von dem deutlichen Dunst, der auch noch die glänzendsten Ausgeburten der französischen Volksseele umhüllt” (*1, blz. 46-47).

Eckart schreef in 1919 in Auf gut Deutsch nr.19: “Mein Antisemitismus richtet sich also in erster Linie gegen uns selbst… und verfolgt einzig und allein den Zweck, durch Wegräumung des negativen, alles Überirdische verneinenden Prinzips dem positiven freie Bahn zu schaffen“. En in Auf gut Deutsch 16, 1919: “Es handelt sich nicht um die Bekämpfung des Juden als Menschen, sondern um die Bekämpfung des jüdischen Geistes”. Iedere Duitser moest het materialisme in hemzelf, de Jood in hem, bestrijden om tot de Volksgemeenschap te kunnen komen: “Jeder einzelne müsse das >>Stück Judentum<<, das ist der materialistischen Geist, in sich selbst bekämpfen”

Daarnaast ziet Eckart een wereldse invloed van de Joden die als een stereotype samenzweringstheorie kan worden gezien. Eckart maakt zijn opvatting over de invloed van “de Jood” op de wereldgeschiedenis duidelijk aan de hand van een vergelijking met een astronoom die een nieuwe planeet ontdekt door een tijd lang de sterren te bestuderen en dan te concluderen dat er een onbekende kracht moet zijn, die veroorzaakt wordt door die nieuwe planeet. Zo denkt hij dat er in de geschiedenis een “nieuwe kracht” is ontdekt die tot nu toe niet gezien werd; de Jood die altijd alles naar destructie heeft gevoerd. Hij ziet De Jood als van nature gedreven tot destructie van de wereld. De (alle!) Joden zijn van nature 100% materialistisch en kunnen niet anders doen dan wat ze doen, de wereld vernietigen. Ook al betekent het ook hun eigen ondergang, volgens Eckart vergelijkbaar met “die Tragik des Luzifers” (*1, blz. 98). Het is het onafwendbare lot van “de Jood”. Aan de “Infernale woede” van de Joden tegen alle andere volken op deze aarde zou zich “in aller Ewigkeit” niets kunnen veranderen, het enige wat te doen viel was dat de aangevallenen, de goede Duitsers, zich gingen verdedigen ook al wilden ze dat eigenlijk vanwege hun goedheid niet. Het gevecht tegen de Joden werd tegen de Duitse wil en de aangeboren Duitse goede geest in, door de Joodse agressie opgedrongen aan de Teutoonse eeuwige slachtoffers.

Maar Eckart was ook wel gericht op de strijd tegen “de Jood buiten ons”. Hij heeft op een gegeven moment duizend Mark uitgeloofd voor de eerste Joodse familie waarvan drie weken lang ook maar drie of vier zonen bij een vechtend onderdeel van het leger zoals een “Schützengraben” hadden gediend in de Eerste Wereldoorlog. In Duitsland leefde na 1918 het idee dat Joden niet voor het “Vaderland” gevochten hadden. Die 1.000 Mark moest hij uitbetalen.


Eckart en de Endlösung

De strijd tegen de Jood >>außer uns<< kreeg de overhand en in de jaren na Eckart zou het de extreme vormen aannemen die wij nu kennen. Hitler, Rosenberg, Himmler en anderen waren duidelijk niet meer bezig met de strijd tegen “der materialistischen Geist, in sich selbst”. In plaats daarvan kwam een sterk beleefd materieel gericht Teutoons slachtofferschap dat “stepping stone” gewijze is geëscaleerd. Totdat mensen in de Aktion Reinhard kampen (Belzec, Sobibor, Treblinka) en o.a. in Auschwitz op “industriële” wijze en schaal werden vermoord. En altijd vanuit de goedheid van de Duitser in ons allen. Zo werden de eerste vrouwen en kinderen naar Auschwitz gestuurd, omdat het toch onmenselijk was ze zonder hun mannen en vaders achter te laten.

Toch lijkt een Shoah juist niet wat Eckart, vanuit zijn complementaire tegendelen (Yin/Yang) filosofie voor ogen had. In zijn postuum verschenen “Zwiegespräch” boek laat Eckart de “Er” figuur over het voorstel van kerkhervormer Maarten Luther (1483-1546) om alle Joden te verbranden zeggen: “Mit dem Verbrennen wäre uns verdammt wenig geholfen. Das ist es ja: auch wenn nie eine Synagoge, nie eine jüdische Schule, nie das Alte Testament und nie der Talmud existiert hätte, der jüdische Geist wäre doch da und täte seine Wirkung. Seit Anbeginn ist er da; keine Jude, nicht einer, der ihn nicht verkörpert” (*1, blz. 98/103).


In de visie van Eckart zijn Joden juist nodig, zoals Licht niet zonder Duisternis kan bestaan, kon de Duitser niet zonder de Jood bestaan: “Es handelt sich um zwei grundverschiedene Kräfte, die einander bekämpfen, bekämpfen müssen wie Feuer und Wasser. Siegt das Feuer verdunstet das Wasser; und ist das Wasser stärker, verglimmt das Feuer” (*1, blz. 47). De Duitser had de Jood nodig om het licht in hem te doen weerkeren, het noodzakelijke tegengewicht: “Daß dieser, was der Zionismus will oder wenigstens zu wollen vorgibt, uns ganz verließe, wäre ebenso verhängnisvoll, wie daß er uns beherrschte.” (verhängnisvoll = noodlottig, rampzalig, dodelijk, fataal) (*1, blz. 48). Genoeg hierover, het gaat mij met dit stuk tekst niet om een morele beoordeling van Eckart, maar om een gegeven dat een meer omvattender begrip van de gebeurtenissen mogelijk lijkt te maken.


In de door het leven van priester Jean Bernard geïnspireerde film “Der neunte Tag“ van Volker Schlöndorff, spreekt de Nazi hoofdpersoon vanuit de hier geschetste filosofie, en zegt o.a. dat Christus deugt omdat hij de Jood in zichzelf had bestreden.


Anti-Semitisme van de NSDAP en van Hitler

Belangrijke personen uit de begindagen van het nationaal-socialisme zoals Alfred Rosenberg, Werner Sombart en Gottfried Feder waren allemaal al zelfstandig zonder invloed van bijvoorbeeld Eckart al anti-semiet. Hitlers anti-semitisme komt ook niet van Eckart en Feder, maar Eckart bracht hem wel veel meer argumenten bij wat merkbaar is in de verandering van zijn toespraken tussen 1919 en 1920.


In het begin zijn Hitler’s toespraken vooral gericht tegen de winnaars van de Eerste Wereldoorlog en de nieuwe Duitse regering. In een toespraak op 13 november 1919 komt maar één zin over Joden voor, in de toespraak van 26 november 1919 helemaal niet en op 10 december gaat het weer over het Zinnsknechtenschaft dat gebroken moet worden. Het zijn bekende thema’s van Eckart, met dit verschil dat Eckart “De Jood” vooral als iets metafysisch beschouwt; als een deel van bijna iedereen en dat Hitler “De Jood” echt als genetisch Jood zijn uitlegde. Vanaf maart 1920 komt daar bij dat de Joden de schuld van de Eerste Wereldoorlog waren. De NSDAP kan ook niet worden aangewezen als de oorzaak van het anti-semitisme in Duitsland. Het anti-semitisme was zo sterk in de samenleving aanwezig dat het anti-semitisme van de NSDAP wel als één van de redenen van het succes van de partij moet worden gezien, niet andersom. Dat is met bijvoorbeeld Geert Wilders net zo. Wilders is niet de oorzaak van de spanning in de samenleving, hij geeft alleen gezicht aan dat gevoel op een manier waar nadenkende mensen geen trek in hebben en haalt schaamteloos de populistische stemmen op. In 1919/1920 meldt de Politischen Nachrichtendienst PND van de Münchener politie, sterke anti-semitische sentimenten onder de bevolking En in 1923, tien jaar voor Hitler aan de macht was, zaten er 32 openlijk anti-semitische parlementsleden in de Duitse Reichstag.


Christendom

In het partijprogramma van de NSDAP staat het volgende: “24. Wir fordern die Freiheit aller religiösen Bekenntnisse im Staat, soweit sie nicht dessen Bestand gefährden oder gegen das Sittlichkeits- und Moralgefühl der germanischen Rasse verstoßen. Die Partei als solche vertritt den Standpunkt eines positiven Christentums, ohne sich konfessionell an ein bestimmtes Bekenntnis zu binden. Sie bekämpft den jüdisch-materialistischen Geist in und außer uns und ist überzeugt, daß eine dauernde Genesung unseres Volkes nur erfolgen kann von innen heraus auf der Grundlage: Gemeinnutz vor Eigennutz.” In punt 24 van het programma klinkt de geest van Eckart het meest door. Christendom was voor hem niet primair een theologisch, maar een sociologisch begrip en was direct verbonden met het socialistische Gemeinnutz vor Eigennutz.In de ogen van Eckart was Christus geen Jood, dat moest natuurlijk wel worden vastgesteld. In 1899 schreef Eckart over Nietsche dat die een “gigantischen philosofischen Revolutionär”was, maar nadat Eckart zich bewust was geworden van het Christendom als “Ursprung der höchsten Kultur”, schreef hij in 1917 een polemiek tegen Nietzsche in de “Münchner Zeitung”. Daaruit het volgende over “den bedauernswerten Kronzeugen aller Dunkelmänner unserer Zeit”: “Es muß einmal mit Nachdruck ausgesprochen werden, wir Deutschen, die wir uns durch und durch zur christlichen Weltanschauung bekennen. Haben er gründlich satt, diesen wahnwitzigen Verächter unserer religiösen Grundlage (man vergegenwärtige sich nur sein Buch >>Der Antichrist<<) überhaupt, diesen Unmoralischen immer wieder als wunder was für einen erleuchteten Führer vorgesetzt zu bekommen”.


Dat Eckart zich Der Bewegung duidelijk als positief Christelijk voor had gesteld, was van weinig waarde voor de geestelijken die zich later tegen het Nazi regime keerden. Geestelijken en prostituees ondergingen de ergste behandeling en hadden de slechtste levensverwachting in de Nazi kampen.


De Duitser als Übermensch

Het idee van de Überlegenheit, de natuurlijke en vaststaande superioriteit van de Duitsers, leefde in die tijd niet alleen bij Eckart. Het idee leidde tot de legende van een Duitse missie, het Duitse volk was geroepen tot de “Erlösung der Welt”. Het Duitse volk was geroepen om de wereld te redden van een ondergang door Joodse overheersing. Volgens Eckart waren Bolsjewisme, Kapitalisme, Vrijmetselarij en de Sociaal-Democratie allemaal complotten van “De Joden”, die uit waren op wereldheerschappij en die de Duitser eronder wilden krijgen. Het ging om een strijd tussen goed en kwaad, waarin het kwaad al bijna volledig had overwonnen. Een soort “Lord of the Rings” of “Matrix” situatie. Volgens Eckart gingen Bolsjewisme en Kapitalisme hand in hand, de socialisten en communisten zouden “vor den Interessen des Leihkapitals wie auf Kommando haltmachen” (*1, blz. 51). Het ideaal van de verlichting: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, werd gelijkgesteld aan pacifisme en als een Joods streven neergezet. (*1, blz. 100).


Reclame Teksten

Eckart’s kwaliteiten als schrijver van reclame teksten kwamen goed tot uiting in zijn bijdragen voor de beweging. De meeste bekende Nazi slagzinnen en woorden zijn van hem afkomstig. In 1920 schrijft hij in Auf gut Deutsch nr 11/12 al dat de Joden in “Schutzhaft” genomen moeten worden. Als grondpijlers van een nieuwe orde zag Eckart een eigen interpretatie van Christendom en Socialisme, die boden de mogelijkheden om de natie te integreren. Hij formuleerde het idee van de “Volksgemeinschaft“. Protestanten en katholieken, proletariërs en bourgeois moesten hun verschillen vergeten en samen tegen de gezamenlijke vijand “De Jood” optreden nu het nog kon. Zijn socialisme noemde hij het “wahrem Sozialismus”, ook wel “deutschen Bolschewismus”, en zijn Christendom een >>Spielart des “ursprünglichen Christentums”<< In een toespraak op 5 februari 1920 over het “Deutscher Kommunismus” zei Eckart dat socialisme staat voor: “Gemeinsinn … Aufgehen in der Volksgemeinschaft zum Wohle derselben” (*1, blz.55)

Eckart gebruikte als eerste de term Derde Rijk: “Nirgends auf Erden ein anderes Volk, das fähiger, gründlicher wäre, das dritte Reich zu erfüllen, den unseres! Veni creator spiritus!” (Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer) schrijft hij in 1919 in Auf gut Deutsch nr 19/20 (*1, blz. 53)

Eckart schreef ook ‘Deutschland erwache’ het stormlied van de SA.


Een Führer

In het toneelstuk “Lorenzaccio” van Eckart uit 1918 klaagt de hoofdpersoon al dat er nergens een “Füher, ein Retter” is te bekennen. Eind 1919 kwam Eckart tot de conclusie dat hij zelf niet de man was om zijn ideeën voor het publiek te brengen en zocht hij daarvoor iemand. “Ein Kerl muß an der Spitze, der ein Maschinengewehr hören kann. Das Pack muß Angst in die Hose kriegen. Einen Offizier kann ich nicht gebrauchen, vor denen hat das Volk keinen Respect mehr. Am besten wäre ein Arbeiter, der das Maul auf dem richtigen Fleck hat. Verstand braucht er nicht viel, die Politik ist das dümmmste Geschäft auf der Welt, und so viel wie die in Weimar weiß bei uns in München jedes Marktweib. Ein eitler Affe, der den Roten eine saftige Antwort geben kann, und nicht vor jedem geschwungenen Stuhlbein davon läuft, ist mir lieber als ein Dutzend gelehrter Professoren, die zitternd auf dem feuchten Boden der Tatsachen sitzen…. Er muß eine Junggeselle sein! Dann kriegen wir die Weiber.” (bron o.a. Die Thule Gesellschaft – Detlev Rose, blz. 127) In de zomer van 1919 had Eckart al geschreven dat de lezers geduldig moesten wachten op de komst van “den deutschen Mann” de “noch Namenlose” die spoedig de strijd met de leugen aan zou gaan. De roep om een sterke man was in die dagen in de Weimar republiek vrij algemeen, allerlei sociale organisaties kenden Führers waar veel van werd verwacht. “Es muß ein Junggeselle sein. Dann kriegen wir die Weiber” heeft Hitler ter harte genomen en hij heeft dan ook tot de laatste dag een ongehuwde status gehad, Eva Braun werd buiten de publiciteit gehouden. Eva Anna Paula Braun (6/2/1912 - 30/4/1945) is pas op de dag voor hun zelfmoord, gekleed in een zwart zijden jurk, met de 23 jaar oudere Adolf Hitler gtrouwd. Met zijn secretaresse heeft Hitler gesproken over het belang hiervan voor zijn populariteit en de steun onder de bevolking. Een “Rat von Ältesten” moest voorkomen dat de Führer een dictator werd. Deze raad voldeed aan het romantische ideaalbeeld van een groep wijze mannen die geen enkel zelfzuchtig belang meer kennen en de staat helpen sturen. De Führer zou zonder zijn ministers in zijn eentje met deze raad overleggen.

In april 1919 werd Dietrich Eckart samen met Rudolf John Gorsleben en andere Thule-leden door communisten gevangen genomen. Dankzij Eckarts slagvaardige antwoorden kwamen hij en Gorsleben vrij, en werden ze niet zoals de anderen geëxecuteerd. Deze gebeurtenis leidde tot een verdere radicalisering van Eckart.

Op 14 augustus 1919 sprak Eckart op verzoek van Anton Drexler voor zijn Deutsche Arbeiter Partei. (*1, blz. 66) Er werden 400 mensen voor de lezing uitgenodigd. Ergens eind 1919 of begin 1920 ontstond het contact tussen Eckart en Hitler, die elkaar direct schenen te hebben gemogen en zij deelden een intense en irrationele Joden-haat. In Hitler zag hij meteen een goede spreker, een agitator. Hitler veranderde door deze ontmoeting zijn officiële beroep van Künstler in Werberedner. Op 16 oktober 1919 hield Hitler zijn eerste rede voor de DAP, met 111 bezoekers. Vier maanden later, op 24 februari 1920 stonden er al bijna 2.000 mensen in het Höfbräuhaus. En februari 1921 kwamen er 6.000 mensen om naar hem te luisteren in circus Krone. Vanaf 1921 woonden Eckart en Hitler enige huizen van elkaar verwijderd in de Thierschstraße in München.

Eckart leerde Hitler eerst manieren, toen introduceerde hij hem in kringen die bijdroegen aan de financiering van de partij en stelde hem voor aan o.a. locomotieffabrikant Borsig, pianofabrikant Bechstein, staalbaron Fritz Thyssen, en vertegenwoordigers van de Daimler-Werke en het Bayerische Industriellenverband.

Eckart vond zijn eerste gegadigde voor de rol van Führer in Wolfgang Kapp die in de alldeutsche kringen verkeerde rondom uitgever Julius Friedrich Lehmann. Het contact zou via Karl Mayr tot stand gekomen kunnen zijn, maar dat is niet als feit bekend. Maar Kapp viel af toen Eckart en Hitler hem in Berlijn na zijn Kapp-putsch van 13 maart 1920 bezochten en zagen dat hij een Joodse adviseur had. Eckart stelde vast dat ze daarom niets meer bij Kapp te zoeken hadden. Pas daarna kwam Hitler in aanmerking voor de rol van Gids.

Begin 1921 zou Hitler nog tegen diverse mensen hebben gezegd dat hij niet de komende Führer was, dat hij niet over de gaven beschikte om het land te leiden. Hij was alleen de “Trommler und Sammler”, de agitator die de massa in beweging wist te brengen. De chef-redacteur van de nauw aan de Alldeutsche beweging verbonden “Deutsche Zeitung” Max Maurenbrecher schrijft naar aanleiding van zijn ontmoeting en gesprek met Adolf Hitler dat die beweerde dat: “Er brauche den Größeren hinter sich, an dessen Befehl er sich anlehnen dürfe” (*1, blz.85; Deutsche Zeitung, Berlin, Abendausgabe, Nr. 498, 10-11-1923).

Op 29 juli 1921 werd Hitler de dictatoriale leider van de NSDAP die tot dan toe in principe een democratische partij was. Anton Drexler, de eerste voorzitter, had op 13 februari 1921 al een brief aan Feder geschreven dat “jede revolutionäre Bewegung einen diktatischen Kopf” moest hebben, Hitler was volgens hem daarvoor de meest geschikte man, maar hij wilde niet zelf terzijde worden geschoven. Ook de Politische Nachrichtendienst PND en andere politiebronnen schreven het aan Eckart toe, dat er een compromis werd bereikt en Hitler de NSDAP overnam. In de loop van 1921 merken mensen in Hitler’s omgeving op dat hij aan grootheidswaanzin begint te lijden en zelf gaat geloven dat hij de verlosser is. In december 1921 wordt Hitler in de Völkische Beobachter voor het eerste met de term Führer aangeduid, tot dan was het Herr Adolf Hitler of Parteigenosser Hitler. Niet alle kameraden waren blij met de ontwikkelingen en in een pamflet uit 1921 van de “bisherige revolutionäre Ausschuß der NSDAP” stond over Hitler:”Der Tyrann muß gestürzt werden. Und wir ruhen nicht, bis >Seine Majestät Adolf 1.<, derzeit >König von München<, seine Rolle ausgespielt hat”.

In de zomer van 1922 wordt in de Völkische Beobachter steeds meer over de Füher-kwaliteiten van Hitler geschreven. Eckart is dan in titel nog hoofdredacteur, maar hij houdt niet van regelmaat, en Rosenberg neemt het feitelijke werk over.

Eckart zou zich volgens Ernst “Putzi” Hanfstängl in 1923 gedistantieerd hebben van de “Corona” rondom Hitler. Eckart zou gezegd hebben dat de “Profillosigkeit” van de mannen die Hitler omringden en ook de groeiende “Großmannsucht” van Hitler hem niet bevielen. “Etwas sei mit Hitler >>schief<< gegangen. Er entwickele ein Messias-Komplex, der eines Tages die Partei ruinieren werde” (*1, blz.111) Maar anderen zeggen dat Eckart tot het einde volledig geloofde in Hitler als de komende man. En Hitler droeg tot in zijn politieke testament van februari 1945 consequent de ideeën uit die Dietrich Eckart al had.


De Völkische Beobachter en de steun voor de beweging

Het is zeer waarschijnlijk Eckart’s idee geweest dat de beweging een eigen krant moest hebben. Eckart speelde een doorslaggevende rol bij de aankoop van de “Völkische Beobachter” voor de beweging op 17 december 1920. De “Völkische Beobachter” werd in die tijd de spreekbuis van het Thule-Gesellschaft genoemd. Eckart zorgde voor de garantie voor de helft van de koopsom van 120.000 Mark, dat geld kwam van generaal Franz Ritter von Erp. Anton Drexler speelde daarbij ook een belangrijke rol. Volgens de sociaal-democratische pers in die tijd kwam het geld uit een potje van het leger waar von Erp over kon beschikken. Eckart heeft steeds weer voor de financiering van het blad gezorgd en er eigen geld in gestoken. Maar ook de partij en Hitler bestonden voor een belangrijk deel dankzij het geld dat Eckart als “beste finanzielle Werber” voor de partij bij elkaar bracht. (*1, blz. 69).

De steun van de “Münchner Polizeipräsidenten” Pöhner en zijn medewerker Frick was ook belangrijk voor de beweging. Deze gaven in München alle ruimte aan rechts extreme organisaties. De sociaal-democratische “Münchner Post” schreef in die tijd dat een geval bekend was waarbij Hitler een dossier uit het politiebureau haalde, meenam naar het partijkantoor en daar een dag en nacht hield om te lezen en het toen weer terug bracht. De vriend van Eckart en “Gründer der Münchner Ortsgruppe des Deutsch-Völkischen Schutz- und Trutzbundes”, Justizrat Willibald von Zezschwitz trad op als advocaat van de beweging”


De laatste tijd van Eckart en de Bierkellerputsch

Op 7 mei 1921 kwam er een einde aan het huwelijk van Eckart, mogelijk door de volledige toewijding aan de partij en Hitler. Twee maanden later stopte hij helemaal met het eigen tijdschrift Auf gut Deutsch en ging volledig voor de Völkische Beobachter werken. Pas in het laatste nummer van Auf gut Deutsch noemde hij Hitler en de NSDAP met naam, tot dan toe had hij altijd aangegeven los van elke partij te staan.


Eckart’s belangstelling voor de politiek nam in 1923 af, jongere partijleden zoals Rudolph Heß, Joseph Goebbels en Alfred Rosenberg dongen naar de gunsten van de Füher en in maart 1923 nam Rosenberg de rol van chefredacteur van de Völkische Beobachter over. Als nieuwe chef-redacteur begon Rosenberg op 8 april een nieuwe campagne om de plaats van Hitler te verstevigen. Eckart is niet door de toen 34 jarige Hitler aan de kant gezet, maar werd wel door de jonge garde overvleugeld. Eckart bleef als mentor en als “Denker und Dichter der Bewegung”geroemd worden. Ook was hij nog steeds het burgerlijke gezicht van de beweging, op partijbijeenkomsten sprak hij meestal voor of na Hitler. Tijdens de eerste NSDAP Partijtag van 27 tot 29 januari 1923 in München nam hij samen met Hitler, een halve stap achter de Führer staand, de parade van de SA af. Bij die gelegenheid werden door Hitler de eerste vier partijstandaarden ingewijd, met daarop de tekst uit Eckart’s Sturmlied “Deutschland Erwache”.


De Hitler-Ludendorff-Putsch, ook bekend als de Bierkellerputsch of Hitlerputsch, bestond er uit dat Hitlers aanhang onder leiding van generaal Ludendorff op zondagmorgen 9 november 1923 optrok naar de Feldherrnhalle in München, waar de mars gestopt werd door de Beierse politie onder leiding van Michael Freiherr von Godin. Daarbij vonden vier politieagenten, een voorbijganger en 16 opstandelingen de dood. Ludendorff werd dezelfde dag gearresteerd. Hitler kon vluchten en verstopte zich in Uffing aan de Staffelsee in een landhuis van Ernst Hanfstaengl, maar werd een paar dagen later opgepakt en in Landsberg am Lech gevangen gezet. In de gevangenis van Landsberg dicteerde Hitler passages van het eerste deel van Mein Kampf aan de medegevangenen Emil Maurice en Rudolf Heß. Eind 1924 werd Hitler voortijdig vrij gelaten.


Eckart had Hitler aangemoedigd om te proberen de macht te krijgen met de mars op de Feldherrnhalle in München. Eckart werd daarvoor de dag na de mars gearresteerd en was samen met o.a. Hitler in de gevangenis in Landsberg am Lech geïnterneerd. Vanwege hartproblemen als gevolg van een morfine- en alcoholverslaving werd hij snel vrij gelaten, dat was enige dagen voor Kerst.


Eckart ging toen hij uit de gevangenis ontslagen was terug naar de Obersalzberg. Daar stierf hij aan een hartaanval op 26 december 1923 in Haus Sonneblick aan de Lochsteiner Strasse 21 in Berchtesgaden, in het bijzin van zijn nieuwe vriendin Annerl Obster. De overlijdensakte werd opgesteld door Dr. Kressler een jeugd- en studievriend die toevallig in de buurt woonde en opmerkte:”daß ein Verirrter eben gestorben sei”. (*1 Blz. 93) Johann Dietrich Eckart werd op 31 december 1923 begraven in het nu nog goed onderhouden graf op het oude kerkhof in Berchtesgaden. Op de grafsteen staat niets anders dan zijn naam. Uit foto’s van de grafsteen blijkt dat de tekst daarop na 1945 anders is dan daarvoor. De tekst is waarschijnlijk in 1945 door Amerikanen van de grafsteen gehaald en er later in een ander lettertype weer opgezet.

Berchtesgaden 016.jpg



Berchtesgaden 014.jpg
Het "Alter Friedhof" in het centrum van Berchtesgaden met links voor het graf van Dietrich Eckart.



Berchtesgaden 015.jpg
Op de grafsteen van Dietrich Eckart staat alleen zijn naam, verder niets.
Met daarbij altijd verse bloemen en vaak een brandende kaars.



DSC 0580 1 2 3 4 5 6HDRI.jpg
Foto van de achterkant van de grafsteen van Eckart. Uit een foto van 1936 blijkt dat het huidige opschrift anders is dan toen. De aanname is dat de tekst op de steen na 1945 door de Amerikanen is weggeslepen en daarna weer is aangebracht.



Eckart’s postuum verschenen boek

Enige maanden na de dood van Eckart verscheen bij Hoheneichen-Verlag, waar de erven nog om streden, het onvoltooide boek: “Der Bolschewismus von Mozes bis Lenin. Zwiegespräch zwischen Adolf Hitler und mir“. Een jaar later verscheen de tweede druk met een andere titel “Der Bolschewismus von seinen Anfängen bis Lenin” en zonder ondertitel. Het niet afgekomen boek probeerde een levensbeschouwelijke basis aan de NSDAP te geven. Het is vrijwel zeker door Eckart alleen geschreven, maar heeft de vorm van een gesprek tussen Eckart en Hitler. In het boek lezen Ich und Er samen de Talmud en komen tot de conclusie dat er over de Joden geen twijfel bestaat: “Dieses Wühlen im Schmutz, dieser Haß, diese Bosheit, dieser Hochmut, diese Scheinheiligkeit, diese Rabulistik, diese Aneiferung zur Betrug und Mord”, het lijkt wel of het over de Nazi’s zelf gaat. (blz. 98). De verdere conclusie is dat de Joden geen religie kunnen bezitten en niet in staat zijn om een Staat te organiseren en besturen.

Visuele propaganda

Eckart had een goed oog voor de kracht van het visuele. Van Auf gut Deutsch zijn drie nummers verschenen met karikaturen van prominente Joodse personen uit Duitsland, Hongarije en Oostenrijk. In februari 1920 verscheen een nummer met “48 Charachterköpfe führender >deutscher< Staatsmänner bzw. Revolutionshelden”. De karikaturen kenmerken zich door de grote neuzen en werden door Eckart van kinderlijke haatdragende onderschriften voorzien. In maart 1920 verscheen “Aus Ungarns Schreckenstangen”, met 30 tekeningen van mannen uit de regering van Bela Kun. En in juli 1920 volgde “Österreich unter Judas Sterne”. Eckart vond “Diese Zeichnungen sind zutreffender als Photographien, weil sie das Wesentliche, den Charakter besser veranschaulichen“(*1, blz.41). Het waren de best verkopende uitgaven van Auf gut Deutsch. Zijn nationale distributeur Fleischhauer schreef in november 1920 dat deze uitgaven het beste “Volksaufklärungsmittel” waren dat hij kende en hij vond er steeds liefhebbers voor (*1, blz.59).


Tot 1923 had Hitler geweigerd om te worden gefotografeerd. Volgens fotograaf Heinrich Hofmann (1885 - 1957) heeft Eckart later uitgelegd dat dit een bewust spel was geweest. Volgens Eckart was die aanpak heel succesvol, iedereen had van Hitler gehoord maar niemand wist hoe hij er uit zag. Op een gegeven moment had het kritische blad Simplicissimus een serie karikaturen gepubliceerd onder de titel “Wie sieht Hitler aus”. Dit had mensen nieuwsgierig gemaakt, die vervolgens naar de bijeenkomsten kwamen en soms lid werden. In oktober 1922 kreeg Heinrich Hofmann de vraag van een Amerikaans fotoagentschap om voor 1.000 dollar een foto van Hitler te maken, Hofmann heeft toen contact via Eckart tot stand gebracht (*1, blz.72). En na enige maanden zijn de eerste foto’s gemaakt. Een foto van een toen bekende politicus als Ebert was maar vijf dollar waard. Dat prijsverschil vervulde Eckart met grote trots.


In het volgende citaat uit Mein Kampf houdt A.H. het nog één keer voor mogelijk dat een door het lot eeuwig onomkeerbaar besluit is genomen dat de Endsieg voor de Joden is: Ich war vom schwächlichen Weltbürger zum fanatischen Antisemiten geworden. Nur einmal noch – es war das letzte mal – kamen mir in tiefster Beklommenheit ängstlich drückende Gedanken. Als ich so durch lange Perioden menschlicher Geschichte das Wirken des jüdischen Volkes forschend betrachtete, stieg mir plötzlich die bange Frage auf, ob nicht doch vielleicht das unerforschliche Schicksal aus Gründen, die uns armseligen Menschen unbekannt, den Endsieg dieses kleinen Volkes in ewig unabänderlichem (onomkeerbare) Beschlusse wünsche? - (Adolf Hitler: Mein Kampf. München 1933; S. 69.)


De naoorlogse inschatting van de positie van Dietrich Eckart

De biografie van Hitler door Ian Kershaw wordt algemeen gezien als de beste biografie van A.H. Wat zegt Kershaw over Eckart? Op blz 201 van de Duitse editie staat: “Zuerst war Eckarts Wert für Hitler und die NSDAP über jeden Zweifel erhaben“. Maar Kershaw beweert ook dat de band tussen Hitler en Eckart al vrijwel was verdwenen toen Eckart in 1923 stierf. Voor dat laatste zie ik geen bewijzen. In de noten wordt beweerd dat Eckart in ongenade zou zijn gevallen en dat de vermelding in Mein Kampf alleen maar voor de vorm was. Maar alle vormen van Eckart-verering die daar nog op zouden volgen, wijzen op een andere verhouding dan Kershaw schetst. Ook Kershaw beschrijft Eckart als een mislukte gepikeerde man en verklaart daarmee Eckart’s anti-semitisme te gemakkelijk. Het lijkt op een over schrijven van wat anderen al hadden gefantaseerd. Kershaw ziet Eckart slechts als één van de steunpilaren van Hitler en hij ziet de rol als belangrijkste grondlegger van de beweging over het hoofd. Maar Kershaw volgt ook het leven van Hitler en verklaart van daaruit de NSDAP. Dat lijkt me echter niet de goede volgorde, Hitler was pas het 55’ lid, met lid nr 555 omdat de partijnummers bij 501 begonnen. De publieke persoon Hitler kan eerder vanuit de NSDAP verklaard worden, dan dat de privé persoon Hitler de NSDAP verklaart. Dat het politieke testament van A.H. van februari 1945 nog consequent de ideeën uitdroeg die Eckart al had, zegt veel. Bij velen wekt die tekst grote verbazing. Maar die tekst zal geen verbazing wekken, bij wie Eckart’s gedachten kent. Eckart schreef het SA-Sturmlied en bedacht de termen “Deutschland Erwache!“ en “Drittes Reich“. De laatste veelgebruikte term is een uiting van het door hem gepropageerde samengaan van esoterie en politiek. Ook de “Führer“ werd door hem aangekondigd, gezocht en na een paar omwegen uiteindelijk in Hitler gevonden. Niet alleen Hitler, maar ook Alfred Rosenberg is sterk beïnvloed door Eckart. In 1928 verscheen bij NSDAP partij-uitgeverij Eher een door Rosenberg geschreven boek over Eckart met de titel: “Dietrich Eckart, Ein Vermächtnis”. Samen met de andere vormen van eerbetoon lijkt dat absoluut niet op iemand die in ongenade is gevallen.


Het is overigens wel aannemelijk dat het grote succes van de NSDAP deels te danken is aan het sterven van Eckart in 1923. Want Eckart hield de beweging heel sterk in het völkische. Hitler bereikte een veel groter publiek toen dat thema enigszins werd losgelaten na de dood van Eckart. Eckart had de beweging en Hitler groot gemaakt, vooral ook dankzij zijn relaties in de völkische en Thule kringen. Maar een voortgaande beperking tot het völkische denken, zou een verdere groei van de NSDAP zeer waarschijnlijk hebben tegengewerkt. Het zou kunnen dat Eckart voor het electorale succes van de NSDAP op het goede moment is gestorven. De positie van Eckart, maar vooral ook de invloed en positie van zijn denken, worden ten onrechte vrijwel genegeerd in de populaire geschiedschrijving over het Derde Rijk. Het vooral in “Auf gut Deutsch“ beschreven gedachtengoed, en ook de daarin geuite woede, bevat duidelijk de kern van het bruine denken en de chaotische moraal van de Volksgemeinschaft. Dit is geen nieuwe bewering, zie ook o.a. “Nazi Ideology Before 1933: A Documentation “ van Barbara Miller Lane en Leila J. Rupp, University of Texas Press, 1978 en ‘The Holy Reich’ van Richard Steigmann-Gall, Cambridge University Press, 2003. De toestand van Eckart’s graf geeft aan, dat er mensen zijn die hem niet zijn vergeten.


Eckart Verering

Berlin 1999 008.jpg

Berlijn, Olympisch stadion 1936, Dietrich Eckart Tribune, nu: Freilichtbühne.


Enige voorbeelden van Eckart verering in het Derde Rijk zijn:

  • In 1928 verscheen bij NSDAP partij-uitgeverij Eher Verlag een door Alfred Rosenberg geschreven, 256 pagina’s tellende lofzang op Dietrich Eckart met de titel “Dietrich Eckart, Ein Vermächtnis”. Hoofdstuk 6 van dat boek heeft als titel “Das Judentum in und außer uns“.
  • Ter ere van Dietrich Eckart werd in 1933 een ‘Dietrich-Eckart-Preis’ ingevoerd, die werd uitgereikt aan mensen die zich extra verdienstelijk gemaakt hadden voor het nationaal-socialisme.
  • Bij de opening van de Olympische Waldbühne in 1936 heeft Hitler het de Dietrich Eckart Tribune gedoopt. Dit heet nu de Freilichtbühne.
  • Toen de oude Platterhof in 1938 werd afgebroken voor een nieuwbouw hotel met 150 kamers en 300 bedden, moest de kamer van Dietrich Eckart in takt blijven. De Platterhof is er omheen gebouwd. Aan de kamer van Eckart werd niets veranderd, er is alleen een buste toegevoegd van de “visionaire-dichter”.



Berchtesgaden 018.jpg



  • Het ziekenhuis in Berchtesgaden dat op persoonlijke aanwijzing van Hitler in 1938 is gebouwd, heette het Dietrich Eckart Krankenhaus. Het was destijds in Duitsland het modernste ziekenhuis in zijn soort. Na 1945 was de naam Klinik in der Stangass en het is tot 1995 o.a. als sanatorium gebruikt, in 2005 is het gebouw afgebroken.
  • De publicatie van een onthullend artikel over Dietrich Eckart in de Frankfurter Zeitung van 23 maart 1943 naar aanleiding van Eckart’s 75’ geboortedag, leidde er toe dat er in mei 1943 op last van Hitler persoonlijk werd ingegrepen. Het blad verscheen voor het laatst tijdens het 12-jarige rijk op 31 augustus 1943. De auteur Herbert Küsel werd met een gevangenisstraf bedreigd, die afgekocht werd door in het leger dienst te nemen.
  • In 1924 kwam deel één van Mein Kampf uit, de slotzin daarvan is: “En tot hen wil ik ook die man rekenen die als geen ander zijn leven heeft gewijd aan het ontwaken van zijn, ons volk in het dichten en in het denken en aan het eind in de daad: Dietrich Eckart”.


Neumarkt 004.jpg


Het Eckart monument in het Stadtpark in Neumarkt in der Oberpfalz

„Dietrich-Eckart-Stadt” was gedurende het Nazi tijdperk de officiële toevoeging aan de naam van Eckarts geboorteplaats Neumarkt in der Oberpfalz. Op 29 oktober 1939 bezocht Adolf Hitler Neumarkt voor de inwijding van het monument ter ere van Dietrich Eckart in het stadspark (sommige bronnen zeggen januari 1934). De straat die in 1928 Karl-Marx-Straße is genoemd, heet in de periode 1933-1945 de Dietrich-Eckart-Straße. Ondanks dat SPD en Groenen het monument sinds 2007 (persbericht 13-7-2007 op neumarktonline.de) uit het in 2004 opnieuw ingerichte park weg willen hebben, staat het er nog. Maar het heet wel al sinds enige jaren dat dit een monument is voor Christoph von Neumarkt, die de geschiedenis in is gegaan als koning “Christoffer (III) av Bayern I” van Noorwegen, als “Christoffer (III) af Bayern I” van Denemarken en als “Kristofer av Bayern” van Zweden. Het is niet zeker of die 15’ eeuwse Christoph echt uit Neumarkt kwam, het is wel zeker dat dit monument waarop dan nu een nieuwe plaquette zit, een deel is van het monument dat door Hitler ter ere van Dietrich Eckart is onthuld. Tot voor kort herinnerde niemand zich een tweede bezoek van Hitler aan het monument, maar bij de voorbereidingen voor het digitaliseren van de oude jaargangen van het “Neumarkter Tagesblatt” bleek dat er op 7 juni 1935 enige honderden mensen op de Marktplatz waren om A.H. welkom te heten ondanks dat het bezoek volgens de pers niet was aangekondigd. Waarmee de datering van het plaatsen van het monument op losse schroeven staat. Zelfs de eenvoudigste feiten over het Derde Rijk zijn zo politiek beladen dat de geschiedschrijving voortdurend onder druk staat.


Op 9 november 1938 ging de synagoge in de Hallertorstraße in Neumarkt, grotendeels in vlammen op. Op de Goede Vrijdag “Karfreitag” van 1942 was Neumarkt Judenrein door het transport van de laatste 15 Joden naar een KZ. Neumarkt werd voor een groot deel verwoest door Amerikaanse bombardementen op 23 februari 1945 en 11 april 1945. Na een heftig stadsgevecht tussen twee SS divisies en de Amerikanen gaf de stad zich op 22 april 1945 over, de oude stad en het deel bij het station was voor 90% in as gelegd. Op 25 juli 2007 is een pad in het stadspark genoemd naar Ilse Haas, een uit Neumarkt afgevoerde Jodin. De Ilse-Haas-Weg komt uit op de in 2005 Geschwister-Scholl-Weg gedoopte straat en loopt net om de hoek van het Eckart monument.


Als ik het monument fotografeer zijn er een paar punks die graag op de foto willen. In het gesprek maken ze vooral duidelijk dat ze anti-fa zijn, maar dat was bij voorbaat al duidelijk. Ongetwijfeld waren ze toen als één van de eersten aan de beurt geweest, als deel van de grote massa die onder de titel asociaal werd afgevoerd. Nieuwsgierig en vriendelijk willen ze graag meer weten over wat ik doe, Sau-geil vinden ze het dat ik zoveel foto’s heb gemaakt rondom dit thema. Woordgebruik heeft duidelijk een heel privé beleefde gevoelswaarde, maar ik snap goed wat ze bedoelen en dat komt kennelijk ook weer bij hun over. En zo is het ook met dit monument, ongeacht de naam heeft het een duidelijke privé beleefde gevoelswaarde, die iedereen duidelijk is.


Neumarkt 007.jpg


“What’s in a name? That which we call a rose by any other name would smell as sweet” - Romeo & Juliet, William Shakespeare


Verzonnen geschiedenis, Complottheorie en Teutoons slachtofferschap

Het denken van Eckart is een exemplarisch voorbeeld van diep beleefd Teutoons zelfmedelijden. Essentieel in het gefröbel met woorden van Eckart, is het denken op basis van verzonnen geschiedenissen en gefantaseerde theorieën. Zijn denkwereld draait om grootse gedachten waarin de hele wereldgeschiedenis een eenvoudig te begrijpen, samenhangend en betekenisvol geheel vormt. De hele geschiedenis wordt bepaald door een strijd tussen goed en kwaad. Eckart stelde een wereldbeeld voor dat was gebouwd op paranoïde samenzweringstheorieën, en waarin tegenslagen omarmd worden om het zelfbeeld van slachtoffer te bevestigen. De arme onbegrepen goede Duitser als mikpunt van de wereld, en als onderwerp van alles wat er in de geschiedenis gebeurt. De Duitser als centrum van de wereldgeschiedenis en als pure belichaming van het goede, in absolute tegenstelling tot de Jood die de pure belichaming van het kwaad is. Andere volken zijn een mix van Duitser en Jood. Het kwaad, de Jood, drijft de geschiedenis, het tracht steeds om het goede te verdrijven. Elk volk dat met Joden samenwerkt, werkt met het kwade samen tegen het goede, de Duitser. George W. Bush zei kort na de 9/11 aanslag hetzelfde: “Wie niet voor ons is, die is tegen ons”. Voor Donald Trump, zijn omgeving en zijn kiezers lijkt zelfmedelijden de belangrijkste drijfveer.

De rol van zelfbeleefd slachtofferschap is prominent in de Duitse geschiedenis. Het valt zelfs niet moeilijk om slachtoffer te zijn van de eigen moordpartijen, en de daders zijn de mensen die gruwelijk in naam van Duitsland zijn vermoord. De schuld van de Joden is des te groter naarmate de Duitser ze gruwelijker hebben moeten vermoorden, omdat het Duitse slachtoffer de Joden wel uit zelfverdediging moest doden. Veel prominente Duitsers hebben openlijk geuit dat men in eigen ogen zelf eigenlijk de grootste slachtoffers van het Derde Rijk en de Nazi’s is. Die gevaarlijke vorm van denken heeft de Eerste en Tweede Wereldoorlog opgeleverd. En met het betalen van het grootste deel van de rekening van het vooruitschuiven van de financiële crisis en het mislukken van de Euro, zijn het straks de slachtoffers van de Europese Unie...


Conclusies over Eckart

  • Keizer Wilhelm II heeft Eckart zijn positie verleend, Eckart heeft Hitler groot gemaakt, Hitler heeft de DAP-NSDAP groot gemaakt. De nationalistische Keizer die algemeen als intentioneel schuldig aan het beginnen van de Eerste Wereldoorlog wordt gezien, wordt zo ook als causaal mede-schuldige aan het ontstaan van het Derde Rijk aangewezen.
  • Door kennis te nemen van Eckart’s metafysische uitleg van het anti-semitisme zijn een aantal onbegrijpelijke zaken in het Derde Rijk meer op hun plaats gekomen. Het geeft bijvoorbeeld inzicht in waarom Communisten, Kapitalisten, Sociaal-Democraten en Vrijmetselaars allemaal als Joden worden bestempeld.
  • Zonder meer over Eckart te weten, was het idee nooit opgekomen om Nationaal-Socialisme te zien als een vorm van het “Ware Christendom”. Maar het is duidelijk dat Eckart dat wel zo zag. En bijvoorbeeld de rol in de Nazi propaganda van “het Kruis dat door de Bolsjewisten wordt aangevallen” wordt zo duidelijker. Ook is bijvoorbeeld zo meer invoelbaar, waar de Nazi link met de Katharen vandaan komt. Dat waren immers ook “ware christenen” en slachtoffers.
  • De Werbetexter Eckart en Werberedner Hitler hebben het samen ver geschopt en veel gelegenheid gekregen om hun ideeën in de praktijk uit te proberen, iedereen kent het resultaat. Dat politieke macht meer voortkomt uit reclame maken en marketing bedrijven, dan het uitdragen van een samenhangende visie op de samenleving, is sindsdien niet veranderd.



Bronnen

  1. Auf dem Weg zu Hitler, Margarete Plewnia, Schünemann Universitätsverlag, Bremen, 1970, ISBN 3-7961-3007-0 (Ln - Leinen) en 3-7961-3012-7 (Kt - kartoniert)
  2. Voodoo Histories, David Aaronovitch, Jonathan Cape/Random House, London, 2009. ISBN 978-0-224-08987-6 (Geen erg goed boek, maar veel feiten)
  3. Die Thule-Gesellschaft - Legende, Mythos, Wirklichkeit, Detlev Rose, 3’erweiterte auflage, Grabert, Tübingen, 1994/2008, ISBN 978-3-87847-242-1
  4. Gossip enrages ex-Kaiser
  5. Wikipedia over Dietrich Eckart



440 Hz, De juiste toon van Radio Berlin, Aantallen slachtoffers, Beelden, Bismarckturm, BoseOrte, Bush en Auschwitz, Continuïteit, De Amerikaanse economie, De Oorlog, De scalp van Geronimo, Dietrich Eckart, Eigen betrokkenheid, Europese politiek, Genetische Expressie, Geschiedenis van de geschiedenis, Hanns-Martin Schleyer, Herdenken, Het Verhaal, IQ van de Nazi top, International Business Machines Corporation - IBM, Kolonisatie, Koude amnestie, Kunst, Percentage Joodse slachtoffers in Nederland, Samenzweringen, Slachtofferschap, Stalags, True Conspiracies, Tweede Wereldoorlog, Kernfysica en Automatisering, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, VS kampioen van de mensenrechten, WaarheidscommissieLiteratuurlijst, Voorbij het Inferno