Het Nationaal Socialisme

Uit Paraplu
Ga naar:navigatie, zoeken

Het Nationaal Socialisme vindt haar oorsprong in een gedachtenwereld die al lang voor haar tijd bestond.

Völkische ideologie en Alldeutsche beweging

De grote veranderingen in de maatschappij o.a. als gevolg van de industrialisatie, maken dat vanaf het midden van de 19’ eeuw in Duitsland en Oostenrijk een zogenaamde Völkische beweging ontstond. Eind 19’ eeuw bestonden er in de Kroonlanden en in Wenen een behoorlijk aantal Völkische verenigingen. De activiteiten daarvan bestonden uit: Discussie over personen en gebeurtenissen in de Duitse geschiedenis, Literatuur en Mythologie, met daarbij gemeenschappelijke activiteiten als Koorzang, Gymnastiek, Sport, Bergklimmen, etc. De basis van deze verenigingen bestond uit de landelijke intelligentsia en de jeugd. In 1886 vormde Anton Langasser in Salzburg de Germanenbund als overkoepelend orgaan over deze verenigingen. In 1889 werd de Germanenbund door de regering verboden, maar in 1894 werd de organisatie opnieuw opgericht onder de naam Bund der Germanen. In 1900 waren 160 verenigingen lid van deze bond, dat was ongeveer de helft van alle Völkische Vereine. Ongeveer 100.000 tot 150.000 personen stonden onder directe invloed van deze verenigingen.

De afsplitsing van Oostenrijk uit het tweede Duitse Rijk in 1866 had het ontstaan van de Alldeutsche beweging tot gevolg. Deze richtte zich helemaal op de politiek en het vormen van een Duits rijk. De Alldeutsche beweging heeft betrekking op landen die van 1815 tot 1866 lid van de Deutsche Bund waren. De beweging streefde naar afscheiding van het ‘Duitse’ deel van Oostenrijk en aansluiting bij het Tweede Duitse Rijk. Georg Ritter von Schönerer (1842-1921) was de voorman van deze anti-kapitalistische, anti-liberale en anti-semitische beweging die gekenmerkt werd door verheerlijking van geweld en verachting voor humanitaire waarden en gerechtigheid.

Dit is wat de Nederlandse Wikipedia zegt over Völkische Bewegung:
De Völkische Bewegung was een extreme vorm van volksnationalisme (Volkstum). Deze stroming definieert het volk in enge zin, gebaseerd op voorouders (Duits: Ahnen) en dus op etnische afkomst. Maar in tegenstelling tot het pure racisme baseert het de definiëring van ‘volk’ tevens op de volkscultuur, die als onveranderlijk wordt afgeschilderd en bestaat uit traditionele riten. Het is een essentieel onderdeel geweest van het Deutschtum en is geëvolueerd tot één van de hoofdstromingen binnen het nationaal-socialisme. Na de Tweede Wereldoorlog was er een heropleving te bemerken (Heimatfilms, Schlagerfestivals), maar de racistische component lijkt verdwenen.

Ariosofie

Eind 19’eeuw en begin 20’ eeuw bestond er een sterke belangstelling voor wat vaak occultisme wordt genoemd. Alexandra David-Neel kwam met wonderlijke verhalen uit Tibet en Helena Petrovna Blavatsky combineerde in de Theosofie elementen uit vooral Oosterse geloofsrichtingen. De Ariosofie was een racistische leer die ontstaan is vanuit de ‘Völkische Bewegung’ en de ‘Alldeutsche Bewegung’. Guido von List heeft de basis gelegd, Jörg Lanz von Liebenfels heeft de ariosofie voortgezet. Organisatorisch vond dit zijn weerslag in de Armanenschaft en het List Gesellschaft. Von List maakte een mix van de theosofische gedachten van Helena Petrovna Blavatsky over cosmologie, symboliek en haar wortelrassen-theorie over de menselijke evolutie met de rassentheorieën van Arthur de Gobineau en een occult op runen gebaseerd geloof. Blavastky’s gedachte aan de Broederschap der mensen zonder onderscheid van ras werd daarbij overboord gezet evenals haar gedachte aan de versmelting van alle rassen als het hoogste doel.

Thule

De Thule organisatie is een völkische politieke beweging die is opgericht op 17 augustus 1918 door Rudolf Baron von Sebottendorff, echte naam: Adam Alfred Rudolf Glauer. Glauer had veel van de wereld gezien en was bij een bezoek aan Egypte door het occulte geraakt. Tijdens een lang verblijf in Turkije was Glauer geschoold in occultisme, soefi mystiek, alchemie, Rozenkruizers en veel meer. Hij is daar ook door de Grieks-Joodse familie Termudis geïnitieerd in een op de Vrijmetselarij lijkende orde die mogelijk in verbinding stond met de Franse rite van Memphis. De oorspronkelijke naam van de Thule-organisatie was Studiengruppe für Germanisches Altertum. De Thule-organisatie is de openbare kant van het geheime genootschap Germanentum. De nadruk van Thule kwam al snel te liggen op anti-republikeinse en anti-Semitische propaganda. De Münchner Beobachter was de spreekbuis van de Thule organisatie, later werd dit het NSDAP weekblad de Völkischer Beobachter, dat vanaf februari 1923 als dagblad verscheen.

Er bestaan geen bewijzen dat Hitler lid van de Thule was, maar er wordt gezegd dat hij meerdere bijeenkomsten van de Thule-Gesellschaft in hotel “Vier Jahreszeiten” bijgewoond heeft. Op de Thule-bijeenkomsten werd vrijwel nooit over esoterische zaken gesproken, er zijn maar twee lezingen over dat onderwerp bekend. Het was een politieke beweging met aan Ariosofie verwante idealen. Hitler zet zich af tegen Adam Glauer en de geheime genootschappen, in Mein Kampf schrijft Hitler over “völkischen Wanderprediger”.

Glauer / Von Sebottendorf werd verantwoordelijk gehouden voor de dood van de zeven Thule leden die tijdens de opstand in München op 30 april 1919 door communisten waren vermoord. Hij zou de Thule ledenlijst hebben gegeven. Op 22 juni 1919 neemt von Sebottendorf afscheid van de politiek en wordt de Völkischer Beobachter volledig door de NSDAP overgenomen. Hij publiceert daarna over astrologie en woont o.a. in Amerika en Turkije. Enige maanden na de machtsovername door de Nazi’s in 1933 publiceert von Sebottendorf het boek: “ Bevor Hitler kam: Urkundliches aus der Frühzeit der nationalsozialistischen Bewegung”. Dit boek wordt met interesse opgepakt, begin 1934 verschijnt al een tweede druk. Dat wordt niet door de Nazi’s geaccepteerd en op 1 mei 1934 wordt het door de politie van Beieren verboden. In 1934 is Sebottendorf zelfs enige tijd geïnterneerd. Hij reist daarna via Zwitserland naar Turkije waar hij een betaalde Duitse spion zou zijn geweest onder Herbert Rittlinger. Waarschijnlijk heeft Rudolf Glauer / von Sebottendorf zich op 9 mei 1945 in de Bosporus verdronken.

De Nazi Thule mythe

In de bij elkaar gefantaseerde historische achtergonden van de Nazi ideologie werd gesteld dat het oude Arische ras haar oorsprong vond in Thule. Een land dat net als Atlantis was verzonken en ooit alle idealen had belichaamd waarvan kan worden gedroomd. De bewoners van Thule waren met de cosmos verbonden en beschikten over magische krachten. Uiteraard was de technologie veel verder ontwikkeld dan in de huidige tijd en men beschikte natuurlijk over eindeloze bronnen van zeer bijzondere en krachtige energie. En niet te vergeten waren de bewoners eindeloos wijs en beschikten over onbeperkte kennis. Deze wijsheid en kennis moest weer ter beschikking staan van de moderne noordelijke Arische mens, een nieuwe Messias zou komen die de mensen naar dat doel zou leiden. En de Messias was natuurlijk de man met de snor; A.H. Op het webadres thule.com staat een wazige website die er vanaf 1997 is en alleen al door de vormgeving van de hoofdpagina duidelijk maakt waar we mee te maken hebben.

Het begripThule

De Griekse zeevaarder Pytheas schreef als eerste over Thule in het boek over zijn ontdekkingsreizen naar het noorden tussen 330 en 320 voor Chr. Het verhaal is dat hij door de stad Massalia was uitgezonden om te zien waar de handelswaar vandaan kwam.

Thule is in de klassieke literatuur de naam van een plaats, meestal een eiland, in het uiterste Noorden. In het Grieks heet het: Θούλη, Thoulē. De naam wordt in diverse bronnen ook geschreven als: Thile, Tile, Tilla, Toolee, Tylen, Thula, Thyle, Thylee, Thila en Tila. In de Middeleeuwse geografie staat Ultima Thule voor een plaats voorbij de grenzen van de wereld. Soms wordt Ultima Thule als Latijnse naam voor Groenland gebruikt en Thule voor IJsland. Oude Europese kaarten plaatsen Thule altijd in het hoge Noorden, de Orkney of Shetland Eilanden. Later werd vaak verwezen naar IJsland en Groenland, maar ook naar Noorwegen.

Thule Air Base

Als zijstap het volgende over Thule, de Amerikaanse Thule Air Base draagt namelijk bij aan het geheimzinnige van het woord Thule. In het noordwesten van Groenland ligt de Amerikaanse en NATO Thule Air Base bij de stad stad Qaanaaq die vroeger Thule werd genoemd. Deze basis vervult een belangrijke strategische rol voor het Amerikaanse leger en de NATO. Op 6 juni 1951 vertrok een Armada van 120 schepen uit Norfolk, Virginia, USA om de basis aan te leggen. Aan boord waren 12.000 mensen en 300.000 ton lading. Dit leger arriveerde in Thule op 9 juli 1951, de lokale bevolking, die er al vanaf 2.000 v Chr. woonde, kreeg vier dagen de tijd om te vertrekken naar Thule/Qaanaaq een plaats 31 km verderop. Op 21 januari 1968 is een B-52G bommenwerper dicht bij Thule Air Base gecrashed en op het ijs verbrand. Het vuur heeft de detonatie explosieven in de vier B28 thermonucleaire bommen doen ontbranden, maar de atoomreacties zijn niet op gang gekomen omdat de bemanning de bommen niet had geactiveerd. Van drie bommen konden de resten worden aangetoond, van de bom met nr 78252 is nooit iets terug gevonden. Het radio-active afval is door meer dan 700 burgers en enige Amerikaanse militairen, zonder bescherming opgeruimd. Tot 2003 was de Globecom Tower op Thule in gebruik, deze 378 meter hoge radiomast was bij de bouw in 1954 het op twee na hoogste bouwwerk op aarde. Thule Air Base is sinds 1 oktober 1982 deel van het Air Force Space Command (AFSPC).

Nazi Mystiek en het Nederlandse “Oera Linda Boek”

In de dertiger jaren speelde in Duitsland het oorsponkelijk in Nederland verschenen “Oera Linda boek” een grote rol. Dat is te danken aan Herman Felix Wirth Roeper Bosch, over het algemeen genoemd Herman Wirth (Utrecht, 6 mei 1885 - Kusel, 16 februari 1981). Wirth was de zoon van de Duitse gymnasiumleraar Ludwig Wirth en de Nederlandse Sophie Gijsberta, geboren als Roeper Bosch. De Nederlander Wirth was een taalkundige die bekend werd door zijn werken over de geschiedenis van de Ariërs, waarin hij het Friese volk een grote plaats toekent. Wirth studeerde Nederlandse filologie, Germanistiek, Geschiedenis en Muziekwetenschap in Utrecht en Leipzig, hij promoveerde in 1910 met het proefschrift “Der Untergang des niederländischen Volksliedes”. Hij onderwees daarna Nederlandse Filologie aan de Universität Bern. In 1914 meldde Wirth zich voor het Duitse leger en tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde hij een rol in België als contactpersoon voor Duitsgezinde Vlamingen. Hij werd in 1916 door keizer Wilhelm II benoemd tot hoogleraar zonder leerstoel. In 1919 richtte Wirth in Nederland in navolging van de Wandervogel een Völkische Bewegung op, de “Landsbond Dietsche Trekvogels“. Hij trok vaak met de auto door het land voor lezingen met de ‘laterna magica’ over historische muziek en verzorgde de muziek bij de landelijke bijeenkomst van de NSB. In 1922 werd Wirth korte tijd leraar aan het gymnasium in Sneek en hield een lezing over “de uileborden in Friesland in verband met het oud-Friesche geloof”. Wirth vestigde zich in 1923 in Duitsland in Marburg.

Wirths publicatie van de Duitse vertaling van het Oera Linda Boek in 1933, Die Ura Linda Chronik, leidde tot een ware hype. Er verschenen honderden artikelen over het boek in de Duitse pers. Wirth zag in het Oera Linda Boek de oerbijbel van de Germanen, een opvatting waarin hij gesteund werd door Heinrich Himmler. Het was ook populair op scholen. Maar niet iedereeen was onder de indruk en op 5 mei 1934 werd Wirth in een openbaar debat met duizenden toehoorders in de aula van de Berlijnse universiteit door vier germanisten en historici onderuit gehaald. Ook Nazi partijideoloog Alfred Rosenberg moest er niets van hebben, Friezen die de bron van de beschaving waren pasten niet echt in de Nazi ideologie en het schijnt dat men heeft overwogen om het boek te verbieden. In Nederland was de overheersende mening al lang dat het niet om een historisch geschrift ging. Van auteur J. Beckering Vinckers verscheen al in 1876 bij uitgever Erven F. Bohn te Haarlem het boek: “De onechtheid van het Oera Linda-Bôk, aangetoond uit de wartaal waarin het is geschreven.”. Het Oera Linda Boek kan ook niet de bron zijn van de völkische belangstelling voor Thule, er wordt in het boek zelfs niet over Thule gesproken. Maar de Duitse vertaling heeft wel veel bijgedragen aan de verspreiding in Nazi Duitsland van de Noordelijke Thule gedachte, waar de Edda ook in groot aanzien stond. Er bestond per ongeluk voor wie het zo zien wilde wel een duidelijke aansluiting van het boek met de Nazi cultuur.

Het Oera Linda Boek (Thet Oera Linda Bok, het over de Linden boek) is in 1867 naar buiten gebracht door Cornelis over de Linden (1811-1874), de “eerste meesterknecht op Lands Marinewerf” in Den Helder was. Hij zou het in 1848 van zijn tante Aafje Meijelhof uit Enkhuizen hebben gekregen, die het van zijn opa Andries Over de Linden had gekregen om later aan hem te geven. Nu zocht hij contact met Harmanus Siderius uit Harlingen om dit oeroude geschrift te laten vertalen. Siderius bracht over de Linden daarop in contact met de journalist Jan Frederik Jansen die hem weer zou hebben doorverwezen naar Eelco Verwijs in Drachten. Deze intieme vriend van François HaverSchmidt was archivaris-bibliothecaris van Friesland. Op aanbeveling van Verwijs werd het manuscript door het Friesch Genootschap aangekocht en daar kwam het ter tafel. Op aanraden van Verwijs nam bestuurslid Johan Winkler het onderzoek ter hand en deze meldde in 1870 dat het geschrift onmogelijk echt kon zijn. In 1916 mocht na zijn dood een tekst in een verzegeld kistje worden gelezen, daarin brengt Winkler al de huidige meeste geaccepteerde lezing. Een ander lid van het Friesch Genootschap nam de tekst ook mee, en dr. Jan Gerardus Ottema (1804-1879) was wel overtuigd van de echtheid van het manuscript. Hij was prominent lid van het Friesch Genootschap ter Beoefening van Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde en in 1872 gaf hij tekst met vertaling uit. Volgens de literatuur hebben HaverSchmidt en Verwijs tevergeefs geprobeerd om Ottema op andere gedachten te brengen. De parodie zou een eigen leven gaan leiden en ondertussen zijn er meer dan duizend publikaties verschenen over het boek dat voor de intimi een eigen afkorting kent: O.L.B.

De meest waarschijnlijke lezing over de oorsprong van het boek is dat de vrienden François HaverSchmidt (Piet Paaltjens), Eelco Verwijs en Cornelis van der Linden het boek samen hebben gemaakt als allegorie op de 19’ eeuwse richtingenstrijd binnen de kerk. Waarbij het drietal de zaak duidelijk vanuit het perspectief van het modernisme zag. Dominee François HaverSchmidt en Eelco Verwijs zouden daarbij vooral voor de inhoud hebben gezorgd, Cornelis over de Linden voor de uitvoering.

Het opperwezen Wralda (in het Fries staat wrâld voor wereld) schiep drie oermoeders die drie rassen voortbrachten. Lyda’s kinderen woonden in Afrika en hadden geen verstand en geen moraal. Finda’s kinderen woonden in Azië en Aldland (Atlantis, Oudland) en hadden wel verstand maar geen moraal. En Frya’s kinderen die in Europa woonden hadden zoals te raden valt, een goed verstand en een hoge moraal. De Lyda’s en Finda’s voerden voortdurend oorlog en werden slecht geregeerd. Uiteraard was het bij de Frya’s allemaal goed, daarvoor zorgden de volksmoeders die in speciale burchten de lamp van wijsheid lieten branden. De hoofdburcht lag op Texland (Texel). In 2194 voor Chr. werd alles anders door een catastrophale gebeurtenis. Aardbevingen en vloedgolven deden Aldland verzinken en de ondoordringbare wouden in het Twiskland (Tussenland, Duitsland) brandden af waardoor de horden uit het Oosten konden oprukken. Het gevolg was dat de goeden samen werden verdreven in Fryaland (Friesland). Een aantal Friezen heeft in de periode 1500 -300 v Chr. in India gewoond en het boeddhisme gesticht. Deze zijn onder leiding van Friso weer naar het moederland teruggekeerd en hebben tijdens die tocht Alexander de Grote bijstand verleend. De Inca’s stammen ook van de Friezen af en de stad Athene en de Griekse democratie zijn ook van Friese oorsprong. En Odysseus heeft enige jaren doorgebracht op een Friesche burcht in Walcheren. Het zesspakige zonnewiel, het ‘juulrad’ was het symbool voor Wralda en het gebruikte op runen lijkende letterschrift is naar dat juulrad ontworpen. Gewone mensen vinden zo’n verhaal misschien vermakelijk, maar Nazi’s namen het serieus.

Het blijft verbijsterend om te zien hoe volksmassa’s in beweging kunnen worden gebracht met gefantaseerde geschiedenis. En opmerkelijk is daarbij de ongewilde rol van boeken en auteurs zoals François HaverSchmidt en zijn vrienden die onmogelijk voor reactionair en behoudend kunnen worden aangezien. Het O.L.B. manuscript is daarin heel uitzonderlijk, het lijkt juist te zijn bedoeld om bekrompen denken aan de kaak te stellen en is vervolgens een centrum van een irrationele op gidsen gerichte cultuur geworden. Het Oera Linda Boek en Herman Felix Wirth zijn een interessant Nederlands element in de Nazi mystiek.

Bronnen



Wirth Roeper Bosch
Herman Felix Wirth Roeper Bosch was bij de oprichting hoofd van Ahnenerbe en bleef na de beëindiging van zijn voorzitterschap onderzoek voor Ahnenerbe doen. In 1945 werd Wirth door de Amerikanen voor vier jaar geïnterneerd. Daarna ging hij enkele jaren naar Zweden en keerde in 1954 terug naar Marburg, waar hij als vrij onderzoeker zonder vast werk leefde. Wirth zijn inbreng wordt in de wetenschappelijke wereld vrijwel eensgezind afgewezen. Toch bestond en bestaat er in Duitsland brede waardering voor zijn werk, zie het hieronder afgedrukte in 1980 in Der Spiegel verschenen artikel over de plannen om een museum op te richten. Ondanks de steun van Bondspresident Willy Brand (echte naam: Herbert Ernst Karl Frahm, geboren in Lübeck, 18 december 1913 – gestorven in Unkel, 8 oktober 1992) is dit museum er door de grote weerstand niet gekomen. De vereniging Ur-Europa zet het werk van Wirth op het web voort, zie voor die kant van het verhaal: http://www.ur-europa.de (Let op: dit is GEEN steun voor de informatie op die site.)

Het Derde Rijk is een duidelijk voorbeeld van het gevaar van gefantaseerde geschiedenis.

Schenkel der Göttlichen
Einst forschte er für die Nazis über Odin und Wotan, nun bauen ihm pfälzische Politiker ein Germanen-Museum: Herman Wirth, ehedem Leiter der SS-Institution “Deutsches Ahnenerbe“. Mühsam zwängte sich Herman Wirth, 95, emeritierter Professor der Geschichte, durch einen Erdspalt in die “Schlangenhöhle“, eine Sandsteingrotte in Schwarzenacker bei Homburg an der Saar. Wenig später, in fahlem Licht, entdeckten der Höhlenforscher und seine Begleiter, was sie schon immer und auch immer noch suchen: Kringel und Krakel an den Wänden, die, wie Wirth meint, “nichts anderes” sind als die Symbole einer verschollenen, “vorgeschichtlichen Religion“.

Wirth, eine Art Däniken im pfälzischen Landkreis Kusel, dessen Exkursionen stets von Verehrern auf Schmalfilm gebannt werden, teilt nach Touren dieser Art in Schriften und Vorträgen meist allerhand mit von Wotan und Walhall, von Sonnenwende und hehren Frauen und weiß Vorzügliches zu berichten über die nordische Rasse. Rastlos ist der Greis den spärlichen Zeugnissen blonder Altvordern auf der Spur, die, wie er weiß, “vor Jahrzehntausenden” einen weiblichen Gott, die “Allmutter“, verehrten. Stößt der Professor zum Beispiel an einer Felswand auf ein “M“, so ist die Kritzelei für ihn eindeutig “ein piktographisches Zeichen, das die angezogenen Schenkel der göttlichen Mutter als die Allgebärerin versinnbildlicht“. Und für solche Erkenntnisse werden in Rheinland-Pfalz jetzt 1,5 Millionen Mark aufgebracht, aus Steuergeldern.

Wirths von aller Wissenschaft bespöttelte Forschung, die sich gut verträgt mit dem Germanenwahn im Dritten Reich, soll 1981 auf einer Burg im Pfälzischen ihren Gral erhalten. Nächstes Jahr wollen die Mainzer CDU-Landesregierung und der SPD-beherrschte Landkreis Kusel das Lebenswerk des Herman Wirth mit einem eigens für ihn geschaffenen “Ur-Europa-Museum” krönen.

Daß der prominente Ex-Nazi (Parteieintritt 1925, Mitgliedsnummer 20 151) und SS-Mann (Nr. 25 87 76) heute nichts wesentlich anderes im Kopf hat als schon damals, da er die SS-Institution “Deutsches Ahnenerbe” leitete, war den Politikern in fast dreijähriger Vorbereitungszeit für den Museumsbau einfach nicht aufgefallen. “Bis vor kurzem“, gesteht Sozialdemokrat Detlev Bojak, Landtagsabgeordneter in Mainz und Fraktionschef seiner Partei im Kuseler Kreistag, “hat es hier bei keinem geklingelt.”

Wirth hatte vor Jahren schon vergebens ein Museum nach seinem Herzen bei Marburg einzurichten versucht; eine provisorische Privatausstellung seiner gut 700 Exponate aus nordischer Erde nahe den Externsteinen bei Detmold machte bald wieder zu. Doch als er 1977, damals schon über neunzig, in die Heimat seiner Ahnen, die Westpfalz, zurückkehrte, fand er mit seinen Felsbildern staatliches Interesse und tatkräftige Hilfe.

Daß es sich bei den Höhlen-Ritzereien, von denen Wirth immer Abgüsse macht, womöglich nur um Freizeit-Werke von Pfadfindern oder von Wanderern der Neuzeit handelt, wurde von den Bewunderern nicht bedacht -vielleicht deshalb, weil es in der Gegend so manchem an klarem Blick fehlt. Schon bei den Reichstagswahlen in den frühen dreißiger Jahren wählten die Dörfler im Kuseler Land mehr als anderswo NSDAP; in den sechziger Jahren war der Kreis eine Hochburg der NPD. Und eigentlich fand auch 1980 niemand Schlimmes dabei, als in dem Flecken Thallichtenberg, Wirths Wohnstatt, wieder mal einer die Monate in “Lenzing” oder “Hornung” umbenannte, von “Weihenächten” redete und im Heimatblatt “Die Rheinpfalz” die “Ostermaien” feiern ließ.

Kaum hatte sich SPD-Landrat Gustav Adolf Held mit dem Gedanken-Gebäude des “nimmermüden Feuergeistes” („Die Rheinpfalz“) näher vertraut gemacht, konnte Wirth mit seinem Museumsplan neue Hoffnung schöpfen. Held, der den Fremdenverkehr im Auge hatte, fand die Idee förderungswürdig und machte Geld locker. Ohne genau wissen zu wollen, was denn wirklich gefördert werden soll, gab der Mainzer CDU-Wirtschaftsminister Heinrich Holkenbrink 1,16 Millionen Mark Bundeszuschüsse aus dem Topf für Zukunftsinvestitionen in infrastrukturschwachen Gebieten.

Mit der Summe soll die historische Zehntscheune der Burg Lichtenberg in Thallichtenberg wiederaufgebaut werden. Das Gebäude soll, so der amtliche Bescheid aus Mainz, “eine umfangreiche Bibliothek von mehr als 10 000 Bänden sowie Denkmäler aus der Vor- und Urgeschichte Europas” aufnehmen -- Wirths Gesammeltes.

Diesen Herbst noch wird nach zweijähriger Renovierung der Scheune das Dach gedeckt, auch die Fenster sind schon in Arbeit. Zum Frühsommer ist die Eröffnung geplant. 800 Mark Mietzuschuß zahlt der Kreis Kusel derzeit jeden Monat an Wirth, weil der Professor die Exponate einstweilen noch in seiner Wohnung in der Schulstraße verwahrt.

Den Museumsbesuchern steht einiges bevor. Behauptungen zum Beispiel über eine Ursprache, eine Urschrift, eine Urreligion und eine Urkultur des Menschen im frühen Diluvium. Und dies alles gab es nicht etwa im Orient, sondern laut Herman Wirth im arktischen Norden. Schon zum Beginn der Eiszeit, so meint er, habe es ein Kulturzentrum des Homo sapiens in der Arktis gegeben, ein Matriarchat.

Die Fachwelt urteilt von jeher über Wirths Thesen wie der Geologe Fritz Wiegers vor schon bald 50 Jahren: Die Schrift des Ahnenforschers stecke “voller Trugschlüsse, voller Behauptungen, voller Verneinungen wissenschaftlicher Tatsachen“, Wirths Entdeckungen seien nicht mehr als “die Kundgebung eines von einer religiösen Idee beherrschten Mannes“.

Ganz allmählich scheint sich das nun herumzusprechen. Seit er im letzten Sommer Einschlägiges von und über Wirth in der Mainzer Uni-Bibliothek fand, müht sich Sozialdemokrat Detlev Bojak, “einen Bremsfallschirm zu ziehen“. Der evangelische Pfarrer Klaus Weidenkuff lud den Mainzer Ministerpräsidenten Bernhard Vogel zu einem Gottesdienst nach Thallichtenberg ein und empfahl ihm, sich doch den “faschistischen Dreck” vor Ort einmal anzusehen. Angebracht sei es vielleicht, so der Geistliche an den Regenten, wenn von der guten Million Staatszuschuß auch ein Scherflein “für eine Gedenkstätte für die jüdischen Mitbürger und die Geschichte der jüd. Gemeinden in dieser Region” abfallen würde.



Bron:



Zie verder: Afsluitende opmerkingen over het Derde Rijk, DAP-NSDAP, De Moraal - Anständig geblieben, Het 25 punten programma van de NSDAP, Het Nationaal Socialisme, Hitlers theologie, Holocaust en Shoah, KDF - Kraft durch Freude, Montségur, Nazi Weltanschauung en de Ideologen, Occultisme, Oorsprong van Duitsland en het Nationaal-Socialisme, Opvoeding en onderwijs, Otto Rahn, Swastika logo, Tijdlijn van de Nazi pre-historie, Toespraak van Himmler op 4 Oktober 1943 in Poznan, Wolfram von Sievers, Literatuurlijst, Voorbij het Inferno