Hitlers theologie

Uit Paraplu
Ga naar:navigatie, zoeken

“Nirgends auf Erden ein anderes Volk, das fähiger, gründlicher wäre, das dritte Reich zu erfüllen, den unseres! Veni creator spiritus!”

Met deze zin die Dietrich Eckart in 1919 in Auf gut Deutsch nr 19/20 publiceerde, was de term Derde Rijk in gebruik genomen voor wat het Nazi project zou worden.

Veni creator spiritus - Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer, is de eerste regel van de Christelijke pinksterhymne die o.a. traditioneel wordt gezongen als de kardinalen de Sixtijnse Kapel betreden voor een conclaaf om een nieuwe paus te kiezen.

Het boek “Hitlers Theologie” (*1) van theoloog Rainer Bucher (*2) lijkt bijna naadloos verder te gaan, waar het verhaal op deze site over Dietrich Eckart ophoudt. Informatie over Eckart krijgt uiteraard extra betekenis door informatie over Hitler en omgekeerd. Het boek geeft antwoord op belangrijke vragen als: “Wat is het rolmodel van de bruine beweging geweest” en “Wat is essentieel aan het Nazisme dat haar karakter verklaart”. Ik kan iedereen met enige interesse voor het onderwerp Nazisme aanraden om het in 2008 verschenen boek van Bucher te lezen.

Het vinden van de essentie van het Nazisme, de crux, “the heart of the matter” is de richting en poging van mijn zoektocht. En de door Rainer Bucher aangedragen informatie over Hitler, Christendom en Universalisme raakt een kerngegeven. Hier wordt een belangrijke waterscheiding benoemd, die een duidelijk onderscheid aanbrengt in soorten denken van individuele mensen en inrichtingen van samenlevingen. De opvatting is dat een onderscheid tussen goed en kwaad bestaat uit Universalisme versus Particularisme en anti-Universalisme. Daarmee is weliswaar geen Endlösung voor de neiging tot geweld en het volgen van autoriteiten in de mens gevonden. Maar op basis hiervan kan wel iets zinvols over de context worden gezegd waarin de nare kanten van de mens zich al dan niet maximaal zullen ontplooien. Dat discriminatie essentieel was aan het Nazisme is natuurlijk bepaald geen nieuw inzicht, maar het idee van dit gegeven als kern van een Nazi theologie en de consequenties daarvan zijn boeiend. In 1939 schreef Thomas Mann in “Bruder Hitler”: “Der Bursche ist eine Katastrophe; das ist kein Grund, ihn als Charakter und Schicksal nicht interessant zu finden”. (Bursche = kerel, vent, vlegel, snuiter) En de theologie van “der Bursche“ is zeker interessant, vooral gezien de grote navolging van zijn ideeën en de gevolgen van die theologie.

De overeenkomst en continuïteit van het denken van Hitler en van Dietrich Eckart is duidelijk en relevant. In het stuk over Eckart komt zijn oriëntatie op Christendom aan de orde. Het denken van Hitler zoals in “Hitlers Theologie” naar voren wordt gebracht, is een vervolg op het denken van Eckart. Dietrich Eckart wordt vaak in verband gebracht met occulte relaties via o.a. de Thule organisatie, misschien dat er daarom weinig aandacht bestaat voor de juist christelijke richting van zijn denken. Het denken van Hitler sluit zeker meer aan bij Eckart dan bij dat van de occulte monotheïst Himmler of nieuwe-heidenen zoals Göring, Rosenberg en andere top-Nazi’s. De grote overeenkomst tussen alle Nazi’s was hun gerichtheid op de belangen van het Duitse Volk, hun aansluiting bij de xenofobe Völkische beweging en hun extreem anti-Joodse opvattingen. Er was geen sprake van een gedeelde theologie in de top van de bruine beweging. De theologie van Eckart en Hitler is bepalend geweest voor de koers van de NSDAP. Hitler maakte zich duidelijk als een navolger van Christus bekend. Hij zag in Christus de Jood die de Jood in zichzelf had overwonnen. Een curieus concept dat Eckart al in 1919 meermalen beschrijft.

Hitler’s opvatting over geloof is vanaf het begin duidelijk geweest en is nooit veranderd. Een vroege toespraak van A.H. op 12-4-1922 voor de NSDAP bevat bijvoorbeeld de volgende christelijke verwijzing: “Mein christliches Gefühl weist mich hin auf meinen Herrn und Heiland als Kämpfer” (*1, blz. 116). En van het nieuwe heidendom moet hij niets hebben, in de “Proklamation des Fühers auf dem Parteitag” zegt hij op 6-9-1938 „Indem wir für diese Lehre [het Nationaal Socialisme] das Herz unseres Volkes erschlossen haben und erschließen, wünschen wir nicht, es mit einem Mystizismus zu erfüllen, der außerhalb des Zweckes und Zieles unserer Lehre liegt. … Das Einschleichen mystisch veranlagter, okkulter Jenseitsforscher darf … in der Bewegung nicht geduldet werden. Sie sind nicht Nationalsozialisten, sondern irgend etwas anderes, auf jeden Fall aber etwas, was mit uns nichts zu tun hat.“ Zijn afkeer van het Völkische nieuwe-heidendom kwam er uit voort dat dit gedachtegoed geen aansluiting met de moderne wetenschap had (*1, blz. 65). Alsof de Nazi-leer wel wetenschappelijk onderbouwd was.

De NSDAP partij was volgens eigen zeggen positief-christelijk ingesteld, zoals in artikel 24 van het NSDAP programma is gesteld zonder te benoemen wat dat positieve is. De toespraken van Hitler werden meestal afgesloten met een verzoek aan God, zoals: “Herr, macht uns frei!” (*1, blz. 91). De grote radiouitzending na de machtsovername eindigde met: “Möge der allmächtige Gott unsere Arbeit in Seine Gnade nehmen, unseren Willen recht gestalten, unsere Einsicht segnen und uns met dem Vertrauen unseres Volkes beglücken. Denn wir wollen nicht kämpfen für uns, sondern für Deutschland” (*1, blz. 93). Na het bezoek op 4 november 1936 aan de Führer in diens Berghof zei de Münchener Kardinaal Faulhaber: “Der Reichskanzler lebt ohne Zweifel im Glauben an Gott”. (*1, blz. 29) En alles wijst erop dat dit inderdaad het geval was. Daarmee heeft Hitler er voor gezorgd dat aansluiting bestond met een belangrijk deel van het establishment en de Duitse bevolking. De operationeel politiek gemotiveerde keuze tegen het versplinterende effect van de discussie van occulte en esoterische visies ten gunste van het dictaat van het monotheïsme is van essentieel belang geweest voor het verkrijgen van macht door de NSDAP. Op dit cruciale punt lijkt de persoon Hitler een belangrijke doorslag te hebben gegeven voor de koers van de partij. Het is overigens Dietrich Eckart geweest die ervoor heeft gezorgd dat de partij in handen van Hitler is gekomen. Der Bewegung was dus zeker geen occulte of mystieke beweging. Maar belangrijke Nazi’s waren wel met occultisme, mystiek en nieuw-heidendom bezig. En de grootste misdaden moeten in verband worden gebracht met de SS-Totenkopfverbände, dat het karakter van een occulte sekte onder leiding van Himmler had, zie Wewelsburg.

God en de Goddelijke voorzienigheid speelden een belangrijke rol als legitimatie voor wat door de Nazi’s gedaan is. In zijn laatste radio toespraak van 30 januari 1945 zegt Hitler o.a.: “Es lag in der Hand der Vorsehung, am 20 juli. durch die Bombe, die 1½ Meter neben mir krepierte, mich auszulöschen und damit mein Lebenswerk zu beenden. Daß mich der Allmächtige an diesem Tag beschützte, sehe ich als Bekräftigung des mir erteilten Auftrages an. (*1, blz. 97). Ondanks de vele uitingen van geloof in de monotheïstische christelijke God, vormden niet God en ook niet de Staat de bron en het ijkpunt van het politieke denken van de Nazi’s, maar “der geschlossenen Volksgemeinschaft”. De belangen van die Volksgemeinschaft zijn de basis van waaruit het Nazisme denkt, in zoverre is het een authentieke socialistische beweging.

De praktijk van het Nazisme maakt elk verder onderzoek overbodig als het gaat om een globale oordeelsvorming over dit fenomeen. Maar wie achter de praktijk van het Nazisme probeert te kijken, ziet dat het fenomeen moeilijk te doorgronden is. Alleen al de vele standpunten over de relatie tussen Füher/Gids en Volk en de verschillende standpunten over het grote enthousiasme bij het volk geven aan dat het nog lang niet zover is dat er een breed gedeelde opvatting over de geschiedenis van het Derde Rijk bestaat, zo die al ooit zal bestaan. Daarvoor lijken de meningen te ver uiteen te liggen, en de emoties te hoog op te lopen. En natuurlijk is het zo dat ook bij dit onderwerp oordeelsvorming meer invloed op het begrip lijkt te hebben, dan het begrip op oordeelsvorming. Voor velen zal de informatie over de rol van het gedachtegoed en de historie van de christelijke kerk even slikken zijn. Het gaat daarbij niet om eventueel laakbaar gedrag van de kerken tijdens het Derde Rijk, maar om veel fundamentelere zaken. George Steiner zegt daarover: ”We will not ... be capable of ‘thinking the Shoah‘, albeit it inadequately, if we divorce its genesis and its radical enormity from theological origins ” (*4, blz. 1).

Rainer Bucher baseert zijn studie op alles wat Hitler gezegd en geschreven heeft en neemt daarbij in aanmerking waar en wanneer iets is gezegd. Het gaat niet over wat Hitler mogelijk zelf privé dacht, maar om de openbare uitingen over de theologie van de bruine beweging. Dat Hitler ook echt zelf in zijn theologie geloofde is daarbij zeer aannemelijk. Hitler was duidelijk en consequent in zijn uitlatingen over wat hij dacht en van plan was te gaan doen. Het is juist opmerkelijk dat de NSDAP op basis van wat werd gezegd een electoraal succesvolle partij kon zijn, het bruine project was geen geheime zaak.

Voor Hitler was de rooms-katholieke kerk een belangrijk studieobject. De constitutie en het succes door de eeuwen heen van de rooms-katholieke kerk fungeerden als het rolmodel voor de bruine beweging. De inhoud van de leer van de R.K. kerk werd door Hitler stevig bekritiseerd, maar haar constitutie werd bewonderd. Hitler’s beschouwing van de R.K. kerk met de nadruk op het doorzien van het functioneren daarvan, en zijn kritiek op de inhoud van de leer, geeft belangrijke informatie over de achtergronden en de fundamenten van het Nazisme.

Het volgende is een beknopte samenvatting en interpretatie van het boek “Hitlers Theologie”:

  • 1. Het succes van het instituut rooms katholieke kerk verklaart Hitler met het feit dat de kerk haar tegenstanders radicaal uitgeroeid heeft. Rivaliserende geloven zijn met veel geweld uitgebannen en het volk is er toe gebracht om hetzelfde te denken. Dit geldt overigens voor de beide geopenbaarde, messianistische monotheïstische godsdiensten Christendom en Islam. De radicale moord op Joden en andersdenkenden door de Nazi’s is geïnspireerd door, en wordt door Hitler gemotiveerd met, het succes dat de christelijke kerk heeft gehad met het uitroeien van haar tegenstanders. De onverdraagzaamheid en het gewelddadige van de Nazi’s zijn door Hitler bewust gekopieerd van de onverdraagzaamheid en het geweld van de geopenbaarde messianistische monotheïstische godsdienst Christendom. Dat is natuurlijk niet aangenaam om te denken voor mensen die zich met het christelijke geloof associëren. Maar het is de geschiedenis en deze stelling lijkt niet weerlegbaar.
  • 2. De Katholieke Kerk heeft altijd strak vastgehouden aan haar doctrine en sterke normen gesteld. Hij stelde: “die größte Kraft auf dieser Welt“… „im blinden Glauben an die Richtigkeit des eignen Ziels und an die eigene Berechtung des Kampfes dafür”. Daarmee heeft de kerk richting gegeven aan het volgens Hitler diffuse geloof van de individuen en op basis daarvan heeft de kerk volgens hem een sterke politieke macht kunnen vormen. Hitler ziet dat vasthoudende aan de dogma’s als een belangrijke basis van de kracht van de kerk, maar tegelijk ook als reden voor haar uiteindelijke ondergang. Volgens Hitler laat de geschiedenis zien dat de wetenschap toch steeds nieuwe inzichten geeft, en het steeds aanpassen van de doctrine zal volgens hem tot versplintering en verlies van macht leiden. Maar uiteindelijk zal de kerk volgens Hitler ingehaald worden door het moderne wetenschappelijke denken en hij voorspelt een leegloop van de kerken. Dat de kerk zich uitlaat over materiële zaken zal volgens hem uiteindelijk tot haar ondergang leiden. Hitler voorziet het einde van de Rooms-Katholieke kerk op het moment dat veel mensen weten dat de sterren allemaal sterrenstelsels zijn met eventueel bewoonde planeten.
  • 3. Geheime verkiezingen van machthebbers maken interne meningsverschillen in de top onzichtbaar voor het volk.
  • 4. Het celibaat zorgt dat er steeds weer aanvulling vanuit de massa komt en dat er geen geïsoleerde elite ontstaat.
  • 5. Het universalistische karakter van het Christendom ziet Hitler als het zwakke punt van de kerk en tegelijk ook van het socialisme en het liberale denken. Rainer Bucher zegt daarover in zijn boek (*1, blz. 53): “Wenn “Universalisten, Idealisten und Utopisten” letzlich nichts anderes als Unerreichbares versprechen können, so Hitler, müssen sie auch notwendig im Spalt zwischen „Wort“ und realer Tat stecken bleiben. Denn ihr Handeln bleibe nicht gelegentlich, sondern prinzipiell hinter ihren eigenen Worten zurück. Zumal, wie Hitler sehr genau sieht, universalistische Konzepte dann doch nur partielle soziale Räume belegen können und so ihren universalistischen Anspruch in der Begrenztheit ihrer eigenen sozialen Existenz selbst zu dementieren scheinen”. „Durchgängig wirft Hitler dem Christentum vor, eine allgemeinen und universalistischen Anspruch zu erheben, also Aussagen über alle Menschen und für alle Menschen zu machen, aber doch immer nur eine historisch und geographisch beschränkte Partikularität zu erreichen“ Hitler stelt dat Universalisme een leugen is, het kan volgens hem niet zo zijn dat iemand het goede voor iedereen voor ogen heeft en dat ook kan realiseren. Hij stelt dat een universalistische opvatting altijd een leugen is. Het Nazisme richt zich op basis van deze opvatting uitsluitend op de belangen van één bepaalde en beperkte maar bij nadere beschouwing toch ook weer vaag begrensde groep; de Volksgemeinschaft van de Duitsers. Het politieke belang om andere Europese volken niet geheel uit te sluiten was te groot, en het werd een Volksgemeinschaft van Ariërs. Ook Nederlanders, Belgen, Fransen, etc. konden tot het Herrenvolk behoren, zoals de vele enthousiaste vrijwillige Nederlandse, Belgische en Franse SS’ers aan het Oostfront bewezen. Elk ander belang dan dat van de geschlossenen Volksgemeinschaft van Ariërs telde geheel niet voor de Nazi’s.



Universalisme is de crux (the heart of the matter)

De kritiek op het Universalisme is een cruciaal punt in het denken van Hitler. De van Dale zegt over het universalisme:

  • 1 algemeenheid, het universeel zijn
  • 2 <theologie> geloof aan de algemeenheid van Gods genade
  • 3 <filosofie> leer van de algemeengeldigheid en van de eenheid in het al
  • 4 opvatting dat de geschiedenis zo moet worden behandeld dat alle volken er gelijke aandacht in krijgen



Hitler betoogt dat Universalisme per definitie een leugen is op basis van zijn stelling dat geen enkele beweging daadwerkelijk de belangen van iedereen kan behartigen. Hij ziet een onoverbrugbare kloof tussen woord en daad van alle universalistische concepten. Hij wijst er op dat bijvoorbeeld het Christendom maar in een beperkt territorium en tijdperk bepalend is voor wat de mensen daar en dan doen. En van daaruit redeneert hij dat het Universalisme van bijvoorbeeld het Christendom dus een leugen is, omdat het niet daadwerkelijk (in de daad) de belangen van iedereen kan behartigen. Hij stelt dat woord en daad daarom niet overeenstemmen en niet overeen kunnen stemmen, wat voor hem voldoende reden is om het Universalisme geheel af te wijzen. Daarbij wordt ook nog uitgegaan van de bekrompen gedachte dat rekening houden met anderen automatisch gepaard gaat met jezelf tekort doen. De wereld wordt in deze visie niet samen gebouwd maar bestaat uit beperkte bronnen waar je een zo groot mogelijk deel van moet zien te krijgen. In Hitler’s denktrant kunnen er geen Universele Rechten van de Mens bestaan, dat zou de Duitsers/Ariërs per definitie tekort doen. Vervolgens trekt hij de conclusie dat een ware politieke partij dus voor een beperkte groep moet opkomen, omdat alleen een niet-universalistische belofte realistisch waar gemaakt zou kunnen worden. En die beperkte groep wordt in zijn geval door Blut und Boden, door etniciteit bepaald. Alleen de belangen van de Volksgemeinschaft van Duitsers/Ariërs werden gediend: “Eigen Volk Alleen”. Een moderne variant daarvan is "America First".

De almachtige stond als enige boven het Duitse Volk en verleende legitimiteit aan de misdaden. De almachtige God had het Herrenvolk opgedragen om de wereld te bevrijden van Joodse overheersing door de wereld zelf te overheersen. God was volgens Bucher voor Hitler een “transzendente Appelationsinstanz” en er werd stelselmatig door Hitler gesteld dat de Nazi’s niet uit eigenbelang optraden, maar als voltrekkers van een Goddelijke wil (*1, blz. 98). Bucher karakteriseert de bruine beweging in zijn boek als een agressief anti-Universalistisch politiek project.

Een visie op Universalisme
De basis van het Universalisme bestaat uit het "weten" dat alles wat is, één ondeelbaar geheel vormt. Een "weten" dat geen wetenschappelijk bewijs kent en daarom geloven wordt genoemd. Tegelijk is het de opvatting die aan de basis van de wetenschap staat, als er geen samenhang tussen de dingen wordt verondersteld is het bedrijven van wetenschap zinloos. Het gaat over het weten zoals beschreven in het in 1988 verschenen boek “The Home Planet”, het eerste project van de Association of Space Explorers ASE (*3). Een boek dat mogelijk het belangrijkste resultaat van de ruimtevaart is, daarover uitwijden zou nu veel te ver gaan. Het gaat om de waarde van de “Unio Mystica” ("Absolute Unitary Being" *6) , de mystieke eenheidsbeleving en de transformatie van een mens door het beleven daarvan. Het lijkt op wat Abraham Maslow een piekervaring of topervaring noemt en heeft een verband met wat Mihaly Csikszentmihalyi een toestand van flow noemt.

Hitler ziet religie juist als “das demütige Gefühl des Begrenztseins alles menschlichen Könnens und Wissens, een „wunderbare menschliche Einsicht, eine souveräne Haltung“. Ontzag voor het onbegrijpelijke is voor Hitler een bron van religieus gevoel, vooral het onbegrijpelijke van de geschiedenis en van de natuur. (*1, Blz. 72) De tegenstelling van "das demütige Gefühl des Begrenztseins" met een ervaring van absolute eenheid als basis van zingeving is duidelijk en de consequenties daarvan zijn begrijpelijk. Voor Hitler is religie het zich ten diepste realiseren van de beperkingen van het individu en het ego, een afzondering in ontzag. De hier geschetste visie gaat juist over het gevoel van het overstijgen van het individu en het ego, over eenwording.

De essentie van Universalisme is juist niet gelegen in het feit dat de hele wereld en iedereen op één bepaalde manier gelukkig zou moeten of kunnen worden. Het gaat erom dat de moraliteit en het algemeen geaccepteerde handelen het in principe en in potentie mogelijk maken dat iedereen en alles wat is, zich op zijn beste manier kan ontplooien. Bij universalistische moraliteit gaat het om zoiets simpels als de gouden regel: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”, en dat ten aanzien van alles wat is. Het gaat er juist in eerste instantie niet om dat anderen worden beïnvloed en dat hun leven wordt bepaald, hoe goed het ook bedoeld lijkt, maar dat er rekening met anderen wordt gehouden Het gaat juist niet om “der Staat als Retter”. Universalisme kan niet worden gemeten aan de effectiviteit van intenties zoals Hitler dat dacht te kunnen doen. Hitler’s kritiek op het Universalisme is een gesloten kritiek vanuit zijn eigen denken en voorziet zijn eigen denken niet van bewijs, hij schetst daarmee wel zijn denken.

Er bestaat een neiging om de geopenbaarde monotheïstische godsdiensten te zien als Universalistisch, en daarmee als bron van moraliteit, maar of dat echt zo is betwijfel ik. En ook al definieerde de Katholieke Kerk haar afstand van de Nazi’s juist op basis van het universalisme, toch is Christendom is in mijn ogen geen Universalistisch geloof. Want het plaatst de mens boven de natuur en de dieren. Het geeft daarmee kennelijk alle ruimte aan wat dieren dagelijks door zich christelijk noemende en voelende mensen wordt aangedaan. De sterke band tussen christelijke politieke partijen en vleesproductie is opmerkelijk. Joden en Moslims kennen uitgebreide regels over de slacht, alsof dat er toe doet. Ook de wijze waarop het christelijke en moslim geloof zich hebben verspreid roept vragen op over het universalistische karakter, de leer van verdraagzaamheid en de praktijk lopen sterk uiteen. Vanwege de intrinsieke verdraagzaamheid en de wil tot vreedzaam samenleven met andere overtuigingen is het Boeddhisme meer universalistisch dan de geopenbaarde messianistische monotheïstische godsdiensten. Het Boeddhisme richt zich op het welzijn van alle “Sentient beings”, de bewust voelende wezens, en alles wat is dat is. Sinds het verschijnen in 1972 van het boek “De grenzen aan de groei” dat Dennis Meadows voor de Club van Rome maakte, is eerst schoorvoetend, en wordt nu door steeds meer mensen erkend dat er milieuproblemen bestaan. En die problemen maken duidelijk dat het welzijn van o.a. de bergen en de zeeën, van de bossen en de moeraslanden er zelfs toe doet. Dat alles wat is, belangrijk is voor alles wat is. Inclusief de mens, maar daartoe zeker niet beperkt.

De ideeën over de relatie van de mens met de dieren en over het vlees eten, maken nog eens duidelijk dat context heel belangrijk is voor wat een individu als morele grenzen hanteert. De gebeurtenissen tijdens het Derde Rijk en vooral het geweld in de kampen hadden dit al aangetoond; zie de tekst over de klassieke psychologische experimenten op dit gebied. In onze westerse cultuur is verslaving aan vlees zo gebruikelijk, en er zijn zoveel vleeseters, dat daarom het gedrag tegenover dieren ongeveer even logisch en redelijk lijkt als het gedrag van de Nazi’s tegenover Joden en andersdenkenden toen. Hindoe’s vergeten hun vegetarisme in Nederland onder invloed van de context. Een door 85 Hindoe jongeren (dus niet heel erg representatief) ingevulde enquête over vegetarisme laat zien dat 11% hun hele leven vegetariër is, 37 % nu wel maar niet het hele leven, 44% alleen bij religieuze gelegenheden en 8% niet. (*4) Iets meer dan de helft noemt zich dus nog wel Hindoe maar blijkt één van de essenties te zijn vergeten, of plaatst dat alleen nog binnen het religieuze handelen.

De democratie wordt ook wel als bijna synoniem voor Universalisme voorgesteld, maar dat is veel te optimistisch. Het democratisch aan de macht gekomen Nazi regime bewijst niet als enige het tegendeel. Of zoals de bekende voormalig advocaat Bram Moszkowicz in het VPRO TV-pogramma Zomergasten van 29 juli 2007 zei: “Auschwitz, dat is democratie“. Democratie als middel, maar niet als gezindheid lijkt steeds meer de norm. De Turkse premier Erdoğan heeft het in 1996 zo onder woorden gebracht: Democracy is as a “tram ... it goes as far as we want it to go, and then we get off”. (*7)

Voorgaande maakt duidelijk dat Universalisme als criterium voor een oordeel niet zo eenvoudig te hanteren is als het lijkt. Universalisme blijkt een gradueel, context- en ego-afhankelijk begrip, en zeker niet eendimensionaal en binair. De minimale voorwaarde om voor de kwalificatie universalistisch in aanmerking te komen bestaat er uit dat geen mensen uitgesloten worden. Maar zolang alles wat leeft en ook wat niet leeft niet ingesloten wordt, is het geen echt Universalisme.

Vaak wordt gezegd dat de (Joods-)Christelijke traditie de bindende factor in de Nederlandse samenleving vormt, maar daar ben ik niet zo zeker van. De erkenning van Universalisme als basis van moraliteit lijkt me de kern van de positieve binding tussen mensen waar velen in Nederland, Europa, enz. zich wel bij voelen. Het beleven en formaliseren van Universalisme is naar mijn idee de kern van de moraliteit zoals wij die o.a. nu in Nederland kennen als basis van de maatschappelijke ordening. En dat is zeker niet noodzakelijk verbonden met een geloof in de Christelijke leer (Athene had niet zonder Eleusis kunnen bestaan). Het Universalisme is ook de basis van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Verklaard anti-Universalisme en Particularisme, de afwijzing en ontkenning van het Universalisme, vormen de basis van het immorele zoals in de Nazi tijd. Geloof zoals het Nazi geloof los van Universalisme, en meditatie zoals Autogene Training los van Universalisme, lijken zoals vaak beweerd wordt, inderdaad gedoemd om werktuigen van het kwaad te zijn. De link tussen discriminatie en Nazisme wordt altijd gemaakt, zo bijzonder lijkt het voorgaande dus niet. Maar anti-Universalisme en Particularisme zijn een veel rijkere en nauwkeuriger begrippen dan discriminatie. Discriminatie betreft handelingen die voortkomen uit anti-Universalisme/Particularisme, discriminatie is niet hetzelfde als anti-Universalisme/Particularisme. Hiermee heb ik de essentie van de ontkenning van het Nazisme onder woorden willen brengen, het gaat te ver om dit hier verder uit te werken.

De Nazi's stelden zich niet anti-Christelijk maar anti-Universalistisch op. Het antwoord van de wereldgemeenschap op het gedachtegoed achter het Derde Rijk was de Universele verklaring van de rechten van de mens. Universalisme is de echte tegenpool van het Nazisme.

Er wordt graag gedacht dat het “völkische“ karakter het echte eigene van de Nazi’s was, en dat het Christendom slechts voor electoraal gewin werd omarmd. Maar al sinds het eind van de 19’eeuw werd in Duitsland het “völkische“ nationalisme en het Christendom als een geheel ervaren. De Amerikaanse Ku Klux Klan en de Zuid-Afrikaanse Apartheid zijn voorbeelden van andere duidelijk aan het Christendom gelinkte op Nazisme gelijkende anti-universalistische moralen. (*5, blz 7 e.v.). Een recent voorbeeld is het door Donald Trump uitgedragen anti-Universalisme/Particularisme dat grote aanhang kent onder christelijke Amerikanen.

De poging tot vernietiging van het Joodse volk
De poging tot vernietiging van het Joodse volk is een duidelijk gevolg en geval van Particularisme. Bij de haat tegen “de Joden” ging het niet alleen om een veronderstelde uitbuiting en materiële onderdrukking van de Duitsers (en de hele wereld) door Joden, maar vooral ook om een culturele en een metafysische component. Het Joodse volk werd door de Nazi’s direct in verband gebracht met wat werd ervaren als het verval van de cultuur in het algemeen, waarvan de "Entartete Kunst" een uitdrukking was. In 1920 benoemde Hitler dit al, in Mein Kampf gaat het over de “Zerstörung der gesammten Kultur” door de Joden. Eén van de andere misdaden die de Joden begingen was volgens Mein Kampf: “Planmäßig schänden diese schwarzen [!?] Volksparasiten unsere unerfahrenen, jungen blonden Mädchen und zerstören dadurch etwas, was auf dieser Welt nicht mehr ersetzt werden kann“ (*1, blz. 115).

Bovenal was Jood een metafysisch begrip, niet gebonden aan de genen. Jezus zou geen Jood zijn, omdat hij de Jood in zichzelf zou hebben overwonnen. Dat dit in de Nazi praktijk wel genetisch uitpakte, verandert niets aan het oorspronkelijke gedachtegoed. In zijn politieke testament van februari 1945 bevestigt Hitler de visie die al door Dietrich Eckart werd uitgedragen en zegt dat er “vom genetischen Standpunkt aus … keine jüdische Rasse” bestaat, het Joodse ras is een gemeenschap van de geest: "die jüdische Rasse [ist] vor allem eine Gemeinschaft des Geistes", die ook Vrijmetselaren en Communisten omvat. Rainer Bucher noemt deze toespraak in zijn boek paradoxaal en verbaast zich erover (*1, blz. 115). Maar dit is wat door Dietrich Eckart al werd gezegd, zie de tekst over Eckart. Bucher ziet wel de continuïteit vanaf het eerste optreden van Hitler. Hij noemt bijvoorbeeld een toespraak voor de NSDAP op 12-4-1922 met christelijke verwijzing, waar Hitler zegt: “Mein christliches Gefühl weist mich hin auf meinen Herrn und Heiland als Kämpfer” (*1, blz. 116).

Een opdracht van God, blijkt voor Hitler de basis van de vernietiging van de Joden. Hij schreef bijvoorbeeld in Mein Kampf: „Indem ich mich des Juden erwehre, kämpfe ich für das Werk des Herren“ (*1, blz. 116). Hij moest van zijn God de wereld redden van de ondergang, die zou ontstaan door een Joodse wereldheerschappij. Het fanatieke waarmee bijvoorbeeld in de laatste maanden van het Derde Rijk nog 500.000 Hongaarse Joden zijn vermoord en alle moordpartijen en dodenmarsen aan het einde van de oorlog kunnen verklaard worden vanuit een religieuze achtergronden en het van de Katholieke Kerk gecopieerde onverzoenlijke gewelddadige fanatisme. In het politieke testament van februari 1945 kijkt A.H. terug naar zijn bekende en beruchte rede van 30 januari 1939 waarin hij “die Vernichtung der jüdischen Rasse in Europa” aankondigt. Hij stelt dan: “Ich habe gegen die Juden mit offenen Visier gekämpft. Ich habe ihnen bei Kriegsausbruch eine letzte Warnung zukommen lassen” en verder „Die jüdische Eiterbeule habe ich aufgestochen. Die Zukunft wird uns ewigen Dank dafür wissen“ (*1, blz. 118). In zijn politieke testament was Hitler dus nog steeds trots op de uitvoering die hij aan de opdracht van zijn God had gegeven.

Hier wordt bewust niet gesproken over de “Vernietiging van het Joodse Volk”, maar over de “Poging tot Vernietiging”. Want ondanks alle fanatieke inzet is het duidelijk niet gelukt.

Religie
Het Nazisme blijkt bij nadere beschouwing bovenal een politieke religie. Dat is geen nieuwe gedachte, de gevluchte Oostenrijkse filosoof en staatsrechtgeleerde Eric Voeglin heeft “de beweging“ in 1939 al zo benoemd in zijn werk “Die politische Religionen“. Onder andere Bärsch (Die politische Religion des Nationalsozialismus, 1997, 2’editie 2002), Hesemann (Hitlers Religion, 2004) en Bucher (Hitlers Theologie, 2008) hebben er uitvoerig over geschreven. De theoloog Rainer Bucher spreekt in zijn boek “Hitlers Theologie“ consequent van een politiek project. Het Derde Rijk kan ook als een ‘Gesammtkunstwerk’ worden gezien, de uitvoering van een grootse visie op alle aspecten van de cultuur. De Nazi’s hadden zich als een echte religie de ‘resultaten van de natuur’ (zoals de oogst) en de mijlpalen in een leven toegeëigend; geboorte, huwelijk en sterven hadden een duidelijke plaats in de Nazi wereld. Bij het huwelijk kreeg ieder echtpaar een editie van Mein Kampf cadeau van de overheid. Alle bekende "Rites de Passage" waren door de Nazi's van invulling voorzien. Het oogstfeest was het grootste feest in Nazi Duitsland, groter dan de Reichsparteitage. Met het gebruik van symbolen en rituelen deed de Nazi cultuur zich kennen als een religie. De resten van de omvangrijke bibliotheek van het Nazi opleidingsinstituut Ordensburg Vogelsang, waarmee na de oorlog de bibliotheek van de universiteit van Bonn is aangevuld, blijken vooral te bestaan uit geschiedenis, theologie, rechts- en staatswetenschap, kunst en literatuur. Ook het in Amerika opgeslagen overblijfsel van de bibliotheek van de Berghof bevat veel theologische werken. Dat zegt niet dat die ook gelezen zijn, gezien de opdrachten waren veel van deze boeken aan Hitler cadeau gegeven. De gevers vonden het kennelijk gepaste titels en de ontvanger heeft ze prominent willen bewaren.

Er wordt niet zelden gesteld dat het op 28 juni 1919 ondertekende Verdrag van Versailles samen met de Beurskrach van 1929, de factoren zijn geweest die de Duitse bevolking gevoelig hebben gemaakt voor het ‘bruine virus’. De ramp die het Derde Rijk was, wordt maar wat graag gezien als iets dat buiten een normale samenleving staat. De oorzaak wordt zo gezocht in een heel specifieke ongelukkige toestand, het lijkt bijna op een ongelukkige stand van de sterren in de astrologie. Met die visie wordt geen verklaring gepresenteerd voor hoe het Derde Rijk heeft gefunctioneerd, maar slechts vastgesteld dat de Duitse samenleving van toen voldoende verschilt van de huidige situatie om ons nu geen zorgen te maken. De Versailles theorie dient niet ter lering, maar ter geruststelling.

Puur politiek-economische motieven lijken duidelijk te beperkt als uitleg voor het bestaan van het Derde Rijk, een religieus georiënteerde beschouwing is een belangrijke aanvulling. Het is weliswaar gebruikelijk om religie met een positieve moraliteit te associëren, maar voor die veronderstelde relatie bestaat geen objectief bewijs. De brute praktijk van het Derde Rijk zou uitsluiten dat het om een religie gaat, maar het tegendeel blijkt. De stelling dat het Nationaal Socialisme een politieke religie was, is een zinvolle en bij de eigen Nazi-werkelijkheid goed aansluitende invalshoek. Hitler zag het zelf als een religieuze zaak. Op basis van die analyse ontstaan inzichten die actuele waarde hebben en van ruimer belang zijn dan alleen het bieden van een visie op het functioneren van het Derde Rijk.

Het is duidelijk dat het beschouwen van het Derde Rijk hoog in de pyramide van Maslow thuis hoort, in het domein van de zelfverwezenlijking. Zo gezien behoort het beschouwen van het Derde Rijk ook tot het domein waar religie thuis is. De ruimte om hier aandacht aan te kunnen geven, kan alleen bestaan op basis van een materiële en psychologische luxe, en een mate van veiligheid. De “Böse Orte“ daadwerkelijk bezoeken, de boeken kopen en er de tijd voor hebben is een materiële luxe. Maar het is vooral een psychologische luxe om hier mee bezig te kunnen zijn. Voor slachtoffers en directe betrokkenen is het begrijpelijk een (te) grote opgave. Het is logisch dat veel slachtoffers en daders dat deel van hun leven zo snel mogelijk hebben willen afsluiten, er niet over hebben willen communiceren en hun kinderen er weinig over hebben verteld. Wie wil zijn kinderen inwijden in de hel…? Het volgende citaat geeft antwoord: “An Stelle einer Jugend, die früher zum Genuß erzogen wurde, wächst heute eine Jugend heran, die erzogen wird zu Entbehrungen, zu Opfern, ...” - A.H. Feierstunde der Hitlerjugend, 11-9-1937. Waarmee niets ten nadele is gezegd over die slachtoffers die er juist wel of zelfs extreem veel met hun kinderen over hebben gesproken.

Ter afsluiting over religie
Het is niet de bedoeling om te beweren dat het religieuze een volledige verklaring voor het Derde Rijk kan geven. Het is ook zeker niet de bedoeling om een eenvoudige conclusie te trekken en het Christendom in zijn geheel in diskrediet te brengen met het voorgaande. Wel is de religieuze component, en dan vooral het Christelijke aspect, een te weinig belicht onderwerp. Voor mezelf heb ik in het aspect religie en moraal een belangrijk facet gevonden.

God

Epicures.jpg



Het bestaan van het Derde Rijk heeft al jong bij me tot de conclusie geleid dat als er een God bestaat, het een soort Josef Mengele moest zijn. Dat als er iets bestaat dat het leven op deze aarde heeft gemaakt en bestiert, het een kwaadaardige wetenschapper moet zijn en dat deze aarde dan een petri-schaal met een eng experiment is. In mijn wereld is God daadwerkelijk op plaatsen als Auschwitz verdwenen. Adorno heeft de vraag gesteld of er na Auschwitz nog poëzie kon worden geschreven, hem wordt vaak een negatief antwoord in de mond gelegd. Poëzie na Auschwitz begrijp ik wel, maar ik vraag me af hoe God na Auschwitz nog kan bestaan in de hoofden van de mensen. Het Derde Rijk heeft directe invloed gehad op mijn beleving van religie.

Bronnen



Zie ook de literatuurlijst; Religieuze aspecten.

Zie verder: Afsluitende opmerkingen over het Derde Rijk, DAP-NSDAP, De Moraal - Anständig geblieben, Het 25 punten programma van de NSDAP, Het Nationaal Socialisme, Hitlers theologie, Holocaust en Shoah, KDF - Kraft durch Freude, Montségur, Nazi Weltanschauung en de Ideologen, Occultisme, Oorsprong van Duitsland en het Nationaal-Socialisme, Opvoeding en onderwijs, Otto Rahn, Swastika logo, Tijdlijn van de Nazi pre-historie, Toespraak van Himmler op 4 Oktober 1943 in Poznan, Wolfram von Sievers, Literatuurlijst, Voorbij het Inferno