Percentage Joodse slachtoffers in Nederland

Uit Paraplu
Ga naar:navigatie, zoeken

Ter inleiding

Ongeveer 72% tot 75% van de in Nederland levende Joden is tijdens de Duitse bezetting vermoord, de schattingen lopen uiteen. Dat is het hoogste percentage in West-Europa. In Nederland woonden bij het uitbreken van de oorlog ongeveer 140.000 Joden, waarvan ongeveer 22.000 geen Nederlandse nationaliteit hadden. Van die 22.000 was ongeveer drie kwart afkomstig uit Duitsland en veelal na 1933 gevlucht (Bron: Griffioen en Zeller, blz. 165). Het hoge percentage vermoorde Joden in Nederland wordt algemeen als bijzonder ervaren, vooral omdat Nederland relatief gezien geen anti-semitisch land was en Joden goed geïntegreerd waren. Het getal wordt nogal eens gebruikt in kort door de bocht beweringen over een vermeende nare volksaard van de Nederlanders, maar dat is veel te simpel.


Het is goed voor de beeldvorming om je te realiseren dat er door de Nazi’s ongeveer 130.000 tot 160.000 Duitse Joden zijn vermoord, in Nederland zijn dat er ongeveer 104.000. In Duitsland is 55% van de Joodse bevolking verdwenen, dat is 0,23 % van alle 69.850.000 Duitsers in 1939. In Nederland is 1,19 % van de toenmalige totale bevolking van 8.729.000 mensen vermoord omdat hij/zij Jood was. In Amsterdam heeft de Shoah veel meer invloed gehad dan in Duitse steden. Het is ook goed om te bedenken de miljoenen Joodse slachtoffers niet in West-Europa zijn gevallen, die waren afkomstig uit Oost-Europa. In landstreken die overwegend Joods waren is vrijwel de gehele bevolking uitgemoord door Einsatzgruppen, die bestonden uit leden van de Sicherheitspolizei (Sipo), Sicherheitsdienst (SD), Ordnungspolizei (Orpo) en Waffen-SS, en ook door de Wehrmacht, het Duitse leger. In Galicië is de hele cultuur met de mensen verdwenen. Daar wonen nu mensen die na 1945 uit het oosten zijn gedeporteerd toen Rusland een stuk groter werd en Polen naar het westen moest “verhuizen“.


In 1990 schreef Renate Ida Rubinstein (Tamar): “Die rare cijfers, zoveel beschamender voor Nederland dan voor welk land in West-Europa ook. Zelfs in Duitsland had je nog iets meer kans de vernietiging te overleven dan in Nederland. We waren niet antisemitisch, we waren alleen maar laf. (bron: Robin te Slaa,Volkskrant, 14/01/12).


Zo gezegd lijkt het bijna alsof de Nederlanders en niet de bezetter de daders waren. Het is begrijpelijk dat er bij slachtoffers die de Shoah hebben overleefd grote emoties leven, maar het is ook duidelijk dat emoties het zicht vertroebelen. De manier waarop de Joden na de bevrijding zijn behandeld is uiterst verwijtbaar aan alle Nederlanders, wat er tijdens de bezetting is gebeurd in veel mindere mate. De verschillen waar Rubinstein het over heeft zijn niet of maar uiterst beperkt veroorzaakt door het optreden van burgers, zoals o.a. uit de studie van Griffioen en Zeller blijkt. Gezien de nu beschikbare informatie is de verklaring voor het verschil in percentage vermoorde Joden in Nederland en Frankrijk veel banaler dan veelal gedacht wordt, waarover meer.


Opmerkelijk is het Italië van Mussolini, het Italiaanse fascisme was niet anti-semitisch. Niet alleen in Italië maar ook in de door Italië bezette gebieden waren Joden veilig, tot ergernis van de Nazi’s die tegen het eind van hun heerschappij in die gebieden toch nog zoveel mogelijk slachtoffers hebben gemaakt. Dat fascisme en antisemitisme geen noodzakelijke koppeling kennen is een interessant gegeven om je te realiseren. Vergelijkingen tussen overleving van Joden in Nederland, België en Frankrijk kennen veel aandacht. Als Italië er bij wordt betrokken, wordt direct zichtbaar hoe belangrijk het bevel vanaf het hoogste niveau is en dat verklaringen op basis van oorzaken op lagere niveau's van ondergeschikt belang moeten zijn.


De Analyses

De geringe overlevingskans voor Joden in Nederland is een onderwerp waar al veel over is opgemerkt, en ook in deze eeuw is er weer veel over gepubliceerd. De positie van deze tekst is die van een kritische “geschiedenis geïnteresseerde” die het best mogelijke inzicht probeert te bereiken uit bestaand onderzoek. Voor de onderbouwing moeten de genoemde bronnen worden geraadpleegd. Het doel is om de tekst beknopt te houden, wie meer inzicht wil krijgen zal meer moeten lezen. Deze tekst is bedoeld om een globaal overzicht te geven en niet als een complete beschrijving van daders, omstanders en slachtoffers.


De eerste analyserende publicaties over het hoge percentage vermoorde Joden in Nederland, “Kroniek der Jodenvervolging“ van A.J. Herzberg (1950), “Ondergang“ van Presser (1965), “Het Koninkrijk“ van de Jong (1969-1991) en de publicaties van J.C.H. Blom (1983/87/89) en B. Moore (1997) ontsluiten en inventariseren de toen bestaande bronnen waarbij interviews ook een belangrijk instrument waren. Er zijn plausibele oorzaken geopperd, maar tot een breed aanvaarde conclusie is het niet gekomen. De aandacht ging daarbij grotendeels uit naar de algemene doelen en het handelen van de Nazi’s. Sociologe H. Fein stelde in 1979 een differentiatie voor, door te zien in welke mate de SS de macht had binnen het bestuur van het bezette land. Blom stelde meer nadruk op de studie van de verschillen tussen de landen voor. Het beeld werd genuanceerder door het beschouwen van perioden en het aanbrengen van de algemeen aanvaarde driedeling: dader, omstander en slachtoffer. Met het ontsluiten van meer bronnen en kwantitatieve en vergelijkende analyses wordt er in de 21' eeuw een nieuwe aanpak op de vraag en op het bronmateriaal losgelaten. De discussie heeft daardoor inhoudelijk een nieuwe impuls gekregen.


Het is duidelijk dat de aspecten piëteit en stigmatisering een complicerende rol spelen. Niet alleen de vragen die gesteld worden zijn boeiend, ook wat niet wordt gevraagd geeft informatie. Eigen kennis van kleine geschiedenis geeft aan dat het Zionisme daarin een belangrijke factor was. Een analyse kan niet uitgaan van eigen anekdotische kennis maar moet die direkt bekende feiten wel omvatten. De mensen waarvan ik het persoonlijke verhaal ken en die een Zionistisch gedachtengoed aanhingen dachten naar het beloofde land te gaan en wensten niet in te gaan op waarschuwingen, hun niet-Zionistische familieleden hebben het overleefd. Het is daarbij vermeldenswaardig dat in de liberale joodse gemeenschappen in Duitsland en Nederland al ruim voor 1940 zorgen leefden ten aanzien van de invloed en gevolgen van het Zionisme. En de Nazi's hebben ook in hoge mate aansluiting gezocht bij het Zionisme. Zowel bijvoorbeeld met de de typerende flauwe Nazi humor als het gebruik van de aanduiding "Entartete Kunst" als serieus met een aansluiten bij het Zionisme in het zoeken naar wegen om met de "Judenfrage" om te gaan, zie het Madagaskarplan verderop in deze tekst.


Het is belangrijk om vast te stellen dat het zoeken naar oorzaken en het zoeken van schuldigen twee geheel verschillende zaken zijn. Wie in het geval van de Shoah schuldigen zoekt, kan snel klaar zijn want er is maar één partij die dit alles in gang heeft gezet en gehouden. De Nazi's zijn de daders en de schuldigen (punt).


Invalshoeken

Er bestaat een gigantische hoeveelheid informatie over het onderwerp, waarin een grote hoeveelheid aan feiten, verhalen, analyses en theorieën de revue passeren. Veel moderne publicaties kunnen van het internet worden gehaald. Samen levert dit letterlijk en figuurlijk veel stof om over na te denken. Het is praktisch gesproken onmogelijk om een compleet beeld van de materie te krijgen en toch heeft de mens behoefte aan een beeld, behoefte aan een verklaring voor deze indrukwekkende feiten. Naar mijn idee zijn de volgende bronnen de meest informatieve:

  • Het in 2008/2011 verschenen boek “Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945 Overeenkomsten, verschillen, oorzaken” van Pim Griffioen en Ron Zeller is de meest complete studie over het onderwerp. In dit boek wordt de situatie door de tijd op land niveau uitgebreid vergeleken. Dit is het beste boek om over dit onderwerp te lezen, maar met 1045 bladzijden is dat wel een hele opgave.
  • Het in 2004/2006 verschenen boek “Gif laten wij niet voortbestaan“ van Marnix Croes en Peter Tammes gaat in op de verschillen in overlevingspercentage tussen de gemeenten in Nederland. Er staan interessante feiten en getallen in, maar ik heb moeite met de conclusies van dit boek. Het artikel “The Holocaust in the Netherlands and the Rate of Jewish Survival“ van Marnix Croes is een soort van management summary van voornoemd boek.
  • In het artikel “Het belang van jodenregistratie voor de vernietiging van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog“ in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 6, 2009, Nr. 2, komt Peter Tammes tot de stellige conclusie dat registratie geen belangrijke factor was. In dat artikel wordt de registratie uitvoerig beschreven. Maar tot een volledig begrip van de rol van informatisering en IBM komt het niet.
  • Plaatselijke verschillen in België zijn het onderwerp van “De Jodenvervolging in België in cijfers“ van Lieven Sarens.
  • In “Het Scholtenhuis 1940-1945“ van Monique Brinks komt de situatie in Noord-Oost-Nederland aan de orde, het voor Joden dodelijkste stuk Nederland.
  • Het door Edwin Black geschreven boek “IBM and the Holocaust“ gaat in op de verschillen tussen de landen binnen het kader van het gehele optreden van IBM tijdens het Derde Rijk. De in 2012 verschenen nieuwste editie levert meer informatie dan de oorspronkelijke editie uit 2001. Het beschrijft de situatie in Nederland en Frankrijk uitvoerig vanuit een perspectief dat registratie tot het hoofdthema maakt. De gepassioneerde taal maakt duidelijk dat Black zoekt naar een zo groot mogelijk aandeel van IBM, dat schaadt de geloofwaardigheid. Maar het is Black met veel doorzettingsvermogen wel gelukt om in de editie van 2012 voor Nederland nieuwe relevante informatie aan te voeren. Voor zijn conclusie dat registratie een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het verschil tussen de landen zie ik geen bewijs. De rol van IBM is om meerdere redenen verwerpelijk, maar in het geval van de Nederlandse Joden wordt het in dit boek overdreven. Een lezenswaardig boek waarvan de conclusies ter discussie staan. Professionele Nederlandse geschiedenismakers nemen afstand van dit boek. Maar gezien de nadruk die de Jong op de registratie legt, en het beeld dat als gevolg daarvan bij veel Nederlanders bestaat, is het hoe dan ook relevant. Het is niet ondenkbaar dat dit boek mij extra aanspreekt omdat ik zelf certified IBM sales en technical professional was, maar ik denk oprecht dat het voor iedereen interessant is om dit kritisch te lezen.
  • De oud directeur van het NIOD J.C.H Blom schreef in 2005 een artikel over enige toen recente studies met de titel “Geschiedenis, sociale wetenschappen, bezettingstijd en jodenvervolging. Een besprekingsartikel” waarop Croes reageerde met “De zesde fase? Holocaust en geschiedschrijving“.
  • Het artikel “Die Erfassung der Juden im Reichskommisariat der besetzten niederländischen Gebiete“ van Christoph Kreutzmüller is zeer informatief.


Er is sprake van duidelijk andere invalshoeken, die elkaar aanvullen. Griffioen en Zeller stellen het verschil tussen de landen centraal en maken onderscheid tussen verschillende invloeden in verschillende perioden. Croes en Tammes bestuderen met een statistische analyse de verschillen op lokaal niveau zonder de tijd in perioden in te delen. Black geeft details over de persoonsregistratie als onderdeel van het totale IBM optreden tijdens het Derde Rijk.


De grote lijn

De Nazi’s hadden in de meidagen van 1940 de opzet om alle Joden het leven zo zuur mogelijk te maken, de Joden zoveel mogelijk te beroven en lichamelijke hard te laten werken, maar verder wisten ze het nog niet zo goed. Het hieronder besproken Madagaskar plan zou eerst de fantasie nog een tijdje prikkelen en pas anderhalf jaar na de inval in West-Europa werd met de vernietiging gestart. Dat er iets broeide is duidelijk, vanaf dag één van de bezetting was de registratie van de Joden van groot belang en werd met het concentreren begonnen. Essentieel is dat het beleid vanaf eind 1941 om is gegaan en de Nazi’s zijn begonnen met het maken van de plannen om alle Joden in Europa te doden.


Vanaf eind 1941 was de Duitse wens om te moorden in alle landen van West-Europa even sterk, het resultaat hing vooral af van de politieke situatie en van de logistieke mogelijkheden, de beschikbaarheid van railvervoer en mankracht. Plaatselijke details lijken heel belangrijk omdat ze inderdaad over het individuele lot beschikten, omdat ze uitmaken of een specifiek individu gegeven de omstandigheden pech of geluk had. Maar de grote lijn, het onvermijdelijke, werd in Berlijn bedacht en trof het individuele slachtoffer via de bevelslijn van den Haag, een Aussenstelle, de Burgemeester en ten slotte de uitvoerende Nederlandse politieagent.

Bij het vergelijken van percentages tussen gebieden moeten we bedenken dat de datum van het einde van de vervolging toevallig is bepaald. De Nazi’s waren nog niet klaar met hun plannen toen voor hun het doek viel. Als de Duitsers lang genoeg de baas waren geweest zouden praktisch gesproken alle Joden zowel in Nederland als in Frankrijk zijn uitgeroeid. Het feit dat de Nazi’s verslagen waren was de enige reden dat de vervolging van de Joden werd beëindigd. Het is redelijk om te veronderstellen dat in Frankrijk hetzelfde doel bereikt zou zijn als in Nederland, als de Nazi’s genoeg tijd hadden gehad. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse gemeenten. De verschillen zouden na verloop van tijd nihil zijn geworden. Het aantal overlevenden per gemeente zou anders zijn uitgepakt naarmate de oorlog anders was verlopen en zou bij een andere peildatum anders zijn, dat heeft geen relatie met het percentage protestanten en katholieken per gemeente zoals Croes en Tammes onderscheiden. Als de vernietigings- en vervoerscapaciteit niet voor andere doelen zoals het vervoeren en vermoorden van de Joden uit Hongarije was ingezet en als de logistieke capaciteit niet steeds meer was weggevallen, dan zouden er in Nederland en in Frankrijk nog meer slachtoffers zijn gevallen op de peildatum 5 mei 1945. Als de Russen de slag bij Stalingrad (23/8/1942 - 2/2/1943) niet hadden gewonnen, dan was er geen Jood in Europa ontsnapt.


Het Madagaskarplan

Het chaotische en pragmatische van dag-tot-dag denken van de Nazi’s is heel goed herkenbaar in hoe de Shoah tot stand is gekomen. Veelal wordt gedacht dat de Nazi’s vanaf het begin uit waren op het uitroeien van alle Joden. Maar dat is niet zo, het is misschien jammer dat een eenvoudig beeld aan duigen gaat maar het is de realiteit. Want het begon met het beroven en verdrijven, als alle bezittingen maar gestolen konden worden mochten de Joden Duitsland graag verlaten. In dat kader past het Madagaskar plan, dat vooraf ging aan de “werkverruiming in het oosten“ en Aktion Reinhard. Pas na de inval in de Sovjet-Unie begon het naziregime ermee om de Joden op grote schaal te vermoorden. De Nazi’s begonnen toen pas met de ons nu bekende ‘Endlösung der Judenfrage’. Aktion Reinhard staat voor het Duitse optreden in 1942 en 1943 waarbij ongeveer 1,5 tot 2 miljoen mensen in Oost-Europa zijn vermoord. Wie bij het spoor woonde ging naar de gaskamers van Bełżec, Sobibór en Treblinka en anders werd men in de buurt van de woonplaats vermoord. Operatie Barbarossa (de inval in Rusland) betekende ook het einde van het Madagaskar plan.


De zionistische leider Theodor Herzl propageerde het idee dat Joden een eigen land moesten hebben in de roman Altneuland die in 1902 verscheen. Madagaskar en Argentinië had hij eerst voor ogen, maar het werd Palestina. Na de Eerste Wereldoorlog waren de Britse, Duitse, Nederlandse en Poolse antisemieten enthousiast over het Madagaskar plan. In 1937 keek de Poolse regering in Madagaskar naar de mogelijkheden en in 1938 stuurde Adolf Eichmann een commissie naar Madagaskar met hetzelfde doel. Toen de Nazi’s in 1940 hun aandacht op Frankrijk richtten, kwam het plan voor de Franse kolonie weer in de belangstelling van de Nazi top. Oorspronkelijk zouden minimaal 1,5 miljoen Joden uit het Protectoraat Bohemen en Moravië en uit Polen naar Madagaskar gedeporteerd worden, dat plan groeide tot alle Joden uit Europa. Het was niet de bedoeling er een onafhankelijke staat van te maken. De kolonie zou een door de SS geregeerde Duitse politiestaat worden. Maar de Vichy regering wilde de kolonie niet aan Duitsland afstaan en had kennelijk voldoende macht om iets te willen. De zeeblokkade die van de Engelse marine verwacht kon worden hielp ook niet, en in februari 1941 is het plan definitief door de Nazi’s afgeschreven. Men neemt aan dat het idee om de Joden dan maar naar Oost-Europa te brengen uiteindelijk is uitgegroeid tot het plan om de Joden daadwerkelijk te vermoorden. Vanaf het begin van Operatie Barbarossa, de overval op Rusland die begon in juni 1941, werden alle Joden en communisten ter plaatse vermoord door de speciaal daarvoor meegestuurde Einsatzgruppen. Op 20 januari 1942 werd het plan voor de Shoah op de Wannsee conferentie formeel gemaakt, de conferentie zou in december op het hoofdkantoor van Interpol plaats vinden maar werd uitgesteld. De brute straat- en huismoord op Joden was toen al in Oost-Europa in volle gang. Met de door de toenmalige Interpol voorzitter Heydrich geleide Wannsee conferentie kreeg het uitroeiien van de Joden een planmatig karakter, het werd een industrie. (De Interpol voorzitters van 1938 tot 1945 waren respectivelijk Otto Steinhäusl, Reinhard Heydrich, Arthur Nebe en Ernst Kaltenbrunner.)


Beschikbaarheid

Onafhankelijk van de eindconclusie over wat nu wel of niet de oorzaak van de lage overlevingskans in Nederland is geweest, komen een aantal factoren in vrijwel alle analyses terug. In het boek van Griffioen en Zeller worden veel van de factoren uitvoerig beschreven. De in die analyse besproken factoren kunnen samen worden aangeduid als “beschikbaarheid”. Niet alle factoren die in belangrijke mate bijdroegen aan de effectieve uitvoering van het duistere Duitse plan, veroorzaakten een verschil tussen de landen. Zo was registratie wel een belangrijk aspect voor het effectieve verloop van de deportaties in West-Europa, maar lijkt het in de praktijk geen verschil tussen Nederland en Frankrijk te hebben veroorzaakt. Beschikbaarheid is het resultaat van de keten van alle factoren die het lokale Nederlandse, Franse, etc. deel van het traject naar de moorden faciliteerde, o.a.: registratie, isolatie, arrestatie en transport.


In alle landen van West-Europa waren naast de Vernietiging van de Joden nog twee concurrerende doelen voor de Nazi’s van belang: nazificatie “Gleichschaltung” en Exploitatie. Het was een situatie waarin de bezetter afwegingen moest maken. Het doel Gelijkschakeling was niet voor alle landen dezelfde en dat kan mede als een verklaring voor het verschil in overlevingspercentage worden gezien. Nederland werd als een Arisch land gezien en de verhouding met Nederland was daarom anders dan die met België en Frankrijk.


Het gaat zo ver dat Groningen, Friesland, Drenthe en Noord-Holland officieel als Arische gebieden werden gezien, Beieren en Oostenrijk niet. Nederland was voor de SS organisatorisch een deel van “Oberabschnitt Nordwest“.


De meeste top Nazi’s voldoen inderdaad zichtbaar niet aan de uiterlijke kenmerken die aan een Arier werden toegschreven, wat bijdraagt aan de onbegrijpelijkheid van het Nazi verhaal. Dat de bezetter zich bewust was van de consequenties van de verschillen tussen de landen voor de uitvoering van het plan blijkt uit het Wannsee protocol waarin staat: “Die Behandlung des Problems in den einzelnen Ländern wird im Hinblick auf die allgemeine Haltung und Auffassung auf gewiße Schwierigkeiten stoßen,...”


Fatale Beschikbaarheid

Toen Heydrich en daarmee de politie zich op de Wannsee conferentie eigenaar van de “Lösung der Judenfrage“ had gemaakt, gingen de ambtenaren in Berlijn en de lokale verantwoordelijken in Parijs (Dannecker), Brussel (Asche en Erdmann) en Den Haag (Zöpf) aan de slag. Op 11 juni 1942 werden de eerst plannen voor West-Europa gemaakt op het Judenreferat van de Gestapo, een onderdeel van het Reichssicherheitshauptamt - RSHA, dat in het Prinz-Albrecht-Palais aan de Wilhelmstrasse 101 in Berlijn was gevestigd. De betrokken personen waren daar naar toe gereisd voor het overleg. Het plan was om in de daarop volgende acht maanden 100.000 Joden uit Frankrijk, 10.000 uit België en 15.000 uit Nederland te ontvoeren en te vermoorden. Maar de Reichsbahn liet weten niet zoveel vervoer vanuit Frankrijk te kunnen leveren en op 22 juni 1941 werden die getallen bijgesteld. In plaats van totaal 125.000, werd het plan bijgesteld naar een totaal van 90.000 met als verdeling 40.000 uit Frankrijk, 10.000 uit België en 40.000 uit Nederland. Dat is voor Nederland van 10,7 % naar 28,6 % van de 140.000 mensen grote Joodse bevolking en voor Frankrijk van 31,3 % naar 12,5 % van de 320.000 Joden. In die periode van de 8 maanden waar het plan betrekking op had, zou dus door deze invloed een substantieel verschil kunnen optreden. Nederland zou zonder deze ingreep van 72% naar 54 % gaan en Frankrijk zou van 29% naar 48,7% gaan. België zit er dan met 60% boven. Toch is deze ene gebeurtenis niet de enige reden voor het grote verschil tussen de landen.


Toen het RSHA Judenreferat de plannen voor de Shoah concreet begon uit te voeren, was er sprake van een fatale beschikbaarheid in Amsterdam. De persoonsregistratie met bijbehorend persoonsbewijs was perfect op orde en stond bij het RSHA in hoog aanzien. In Amsterdam was een groot aantal Joden in grote concentratie aanwezig. De Nederlandse regering had aan de ambtenaren opdracht gegeven met de bezetter mee te werken en de spoorwegen opdracht gegeven stipt te rijden. De voor de deportatie van de Joden noodzakelijke faciliteiten waren nog voor de oorlog al door de Nederlandse regering ingericht. In november 1938 had de Nederlandse regering besloten dat Joodse vluchtelingen moesten worden opgevangen in kampen die door het Joodse Comité moesten worden betaald. De hedendaagse politiek, met VVD en PVV voorop, zou precies hetzelfde hebben gedaan. Kamp Westerbork was in opdracht van de Nederlandse politici al voor 10 mei 1940 ingericht als Joods vluchtelingenkamp en stond klaar om als schakel in de vernietigingsketen te functioneren. De gebouwen van Drancy bij Parijs moesten eerst gevorderd worden en werden pas in 1941 in gebruik genomen als “Sammel- und Durchgangslager”. De fatale beschikbaarheid in Nederland vormde een perfecte basis voor een gesmeerde en effectieve operatie met weinig risico om te mislukken.

Ook in Frankrijk stond een goede administratie ter beschikking. In november 1942 was in Frankrijk het gestelde doel zelfs al gehaald. In Nederland kwam men pas in januari 1943 voorbij de gestelde 40.000 slachtoffers. Het verliep in Frankrijk in het begin sneller dan in Nederland. Als de in relatie tot de Shoah toevallig bepaalde peildatum niet 5 mei 1945 was, maar in maart 1943 zou worden gelegd, dan zou het een heel ander beeld opleveren


Belangrijke factoren die de overlevingskans bepaalden waren; het bestuur, mogelijkheden om onder te duiken, vervoerscapaciteit en persoonsregistratie.

Bestuur

Als belangrijke oorzaak voor de lage overlevingskans in Nederland wordt naar voren gebracht dat Nederland onder civiel Duits bestuur stond. De biograaf van Seyss-Inquart, Henk Neumann, schrijft: Terwijl men in Düsseldorf, waar het hoofdkwartier van de in Nederland opererende troepen was gevestigd, nog ijverig doorwerkte aan de plannen voor het militair bestuur, sloeg daar op de avond van de 17de mei als een bliksemstraal het bevel in dat er de volgende dag geen ritten naar het bezette gebied mochten worden gemaakt. Bij informatie bleek dat besloten was tot de instelling van een civiel bestuur.

Essentieel voor het lot van de Joden in Nederland is het volgende: Hitler heeft dit besluit persoonlijk op het laatste moment genomen, nadat het koningshuis plus het grootste deel van de regering op 13 mei 1940 het land volgens een naar later is gebleken al maanden van te voren voorbereid plan hadden verlaten.

De gevluchte regering gaf aan de ambtenaren de opdracht tot goede samenwerking met de Duitsers, men beweerde op die manier de negatieve gevolgen van de bezetting voor de bevolking zo beperkt mogelijk te willen houden. De secretarissen-generaal, de hoofden van de departementen, hadden de aanwijzing gekregen om Duits beleid uit te gaan voeren. Sommigen zijn later vertrokken of ontslagen en vervangen door pro-Duitse mensen. De Duitsers maakten dus de wet, die door de Nederlandse ambtenaren in opdracht van de gevluchte regering zo goed mogelijk werd uitgevoerd. Het ambtelijk apparaat stond volledig ter beschikking van de bezetter. Althans zo ervaren wij dat, de bezetter dacht er ook wel anders over zoals uit de “Meldungen aus den Niederlanden“ blijkt. Himmler werd met die Meldungen snel en grondig ingelicht over de situatie in Nederland, beter dan Seyss-Inquart. Nederland was voor de SS organisatorisch een deel van Duitsland, en was ingedeeld bij het “Oberabschnitt Nordwest“. De Höhere SS- und Polizei-führer (HSSPF) Hanns Albin Rauter hoefde zich ook maar deels iets van de Reichskommisar Dr. Arthur Seyss-Inquart (geboren als: Artur Zajtich) aan te trekken.


In Frankrijk en België was de situatie totaal anders, de regeringen waren daar gebleven en in België ook het koningshuis. Het bezette Frankrijk en België werden daarom onder militair gezag geplaatst. Bij de leiding van de Duitse Wehrmacht bestond een andere houding tegenover de Shoah dan bij de politie en de SS. De Wehrmacht was over het algemeen niet zo gericht op de jacht op Joden. Gedurende de gehele bezetting onderhandelden de Duitsers met de regeringen van die twee landen, in Nederland konden ze doen wat ze wilden. Het gevolg was dat in Frankrijk zoveel mogelijk alleen de immigranten werden opgepakt van nationaliteiten waarvan de regering niet zou protesteren. De Franse politiek in bezet Frankrijk en in Vichy Frankrijk stuurden er zo sterk mogelijk op aan dat er geen Joden met een Franse nationaliteit werden gedeporteerd. Na de oorlog bleek dat 68% van de Joodse slachtoffers een buitenlandse nationaliteit had. Van de Franse Joden werden er 12% afgevoerd, van de Joden die geen Frans staatsburger waren 41% (Griffioen en Zeller, blz. 418). Er werden in Frankrijk bijvoorbeeld geen Amerikaanse of Engelse Joden gedeporteerd, als eerste gingen de Duitse Joden die naar Frankrijk waren gevlucht. Het gevolg van het onderhandelen tussen bezetter en de twee Franse overheden van bezet Frankrijk en Vichy was ook dat de politie in Frankrijk niet altijd inzetbaar was voor deportaties. De details worden door Griffioen en Zeller uitvoerig beschreven. De Nazi's bleken best wel vatbaar voor invloed van buiten.

Griffioen en Zeller beschrijven hoe het ontbreken van mogelijkheden de Duitsers beperkte en dat men ook niet op veel medewerking in Frankrijk kon rekenen. De aard van het bestuur levert een verklaring voor een deel van het verschil tussen Nederland en Frankrijk, daarbij bestonden er omstandigheden in Frankrijk die de Duitsers beperkten zoals beschikbaarheid van vervoer.


Dat het Duitse civiele bestuur in Nederland van invloed is geweest op de effectiviteit van het deportatiebeleid is duidelijk, en het levert een deel van de verklaring voor de verschillen tussen de landen. In het in 1997 verschenen boek “Om erger te voorkomen“ werkt Nanda van der Zee de stelling uit dat het vluchten van regering en koningshuis naar Engeland dodelijk is geweest voor veel Nederlandse Joden. Dat boek heeft veel woedende reacties opgeroepen.


Onderduiken en verzet

Onderduiken en verzet spreken tot de verbeelding, het is een onderwerp dat graag wordt verfilmd en ook voor romans levert het een graag gebruikt plot. Vrijwel iedereen voelt direct een link met moraliteit en de betrokkenheid van de burger. Toen ik jong was begon het echte lezen over het Derde Rijk met boeken over verzet, kinderen mogen uiteraard het eerst kennis nemen van de hoge moraliteit die verzet belichaamt. Het was niet echt de bedoeling om in Presser en de Jong te lezen. De opmerking van Hans van Mierlo dat hij NA de oorlog nog in het verzet was gegaan is raak. De reden voor de lage overlevingskans in Nederland wordt niet zelden in de hoek van gebrek aan mogelijkheden om onder te duiken en in collaboratie en verraad gezocht, wat dan op schuld van “De Nederlander” zou duiden. In Frankrijk waren er inderdaad heel veel onderduikers. Het is dan ook logisch om aandacht te besteden aan de mate waarin onderduiken en verzet invloed kan hebben gehad op de overlevingskans van Joden.

Op het moment van de Duitse inval was ongeveer de helft van de Franse Joden immigrant (Griffioen en Zeller, blz. 639), deze kenden de gevolgen van de Nazi politiek. Er zijn dan ook ongeveer 30.000 Joden direct bij de inval het land uitgevlucht. Dat is wel geen onderduik, maar het helpt de statistiek van de overlevingskans. Een behoorlijk grote groep Franse Joden is de dans dus ontsprongen door zelf direct initiatief te nemen.

De mate waarin men effectief kon onderduiken vormde een groot verschil tussen Nederland en Frankrijk. In Frankrijk bestaan er veel ontoegankelijker delen platteland dan in Nederland, op de mogelijkheden van verzet heeft dat een substantiële invloed gehad. De Franse naam voor verzet “Maquis” is ontleend aan de naam voor een landschap met struikgewas, zoals dat rond de Middellandse Zee voorkomt.

Er zijn tussen de 140.000 en 150.000 volwassenen en tussen de 20.000 en 30.000 kinderen in Frankrijk ondergedoken geweest tot het eind van de oorlog, dat is dus ongeveer de helft van de 320.000 Joden in Frankrijk in mei 1940. Veel Joden zijn dus met succes ondergedoken, naar de “campagne” uitgeweken. Onderduiken in het bos lijkt in Nederland geen groot succes te zijn geweest, getallen ken ik niet maar verhalen over “onderduik dorpen“ die zijn opgerold wel.

Voor Nederland lopen de schattingen van het aantal onderduikers uiteen van minimaal 22.000 tot maximaal ongeveer 28.000, iets meer dan 10% van de Joodse Nederlanders. Ongeveer 16.100 onderduikers hebben de oorlog overleefd iets meer dan 10% van de Joodse Nederlanders. Van de meer dan 104.000 Nederlandse Joden die niet overleefden, zijn er tussen de 6.000 en 12.000 gearresteerd terwijl ze onderdoken. (Bron getallen: Croes en Tammes)

Alhoewel verhalen over onderduiken en verzet graag één op één met elkaar worden verbonden, begon het substantiële verzet in Nederland pas in 1943, toen verreweg de meeste Joden al waren afgevoerd. De Joden die ondergedoken zaten waren onder andere vanwege de rantsoenering vaak wel afhankelijk van verzet. Het is dus ook niet zo dat er helemaal geen relatie bestond. Er zijn 18.000 Nederlanders omgekomen als politieke gevangene in Duitsland, 2.500 in Duitse kampen in Nederland en 2.800 door executies en standrecht. Hoeveel daarvan het gevolg van hulp aan Joden was weet ik niet, maar het lijkt redelijk om aan te nemen dat dit substantieel is geweest. Er was dus wel degelijk sprake van hulp door Nederlanders, en gezien de arrestaties was dat het geval vanaf het moment dat de deportaties begonnen.

Voor wat betreft het onderduiken in Nederland is 1943 een jaar van overgang. Vanaf de inval in Nederland en het invoeren van anti-joodse maatregelen, tot oktober 1943 werd er georganiseerd op Joden gejaagd en met lijsten gewerkt. In oktober 1943 werd Nederland Judenfrei verklaard en de Duitsers stopten met de georganiseerde jacht. Een belangrijke verandering in 1943 is ook dat vanaf begin maart 1943 premies werden betaald op het aanbrengen van onderduikers, dat begon met 4 gulden en liep later op tot 40 gulden per slachtoffer. Professionele “bounty hunters“ bestaan nu nog in Amerika en het werk wordt als vermaak op TV getoond. De beruchte ‘Kolonne Henneicke’ was zo`n groep, het waren ongeveer 35 mannen die vanuit Amsterdam in een half jaar tijd meer dan 3.500 Joden naar de gangbare schatting, of ongeveer 8.370 volgens Croes en Tammes, in heel Nederland opspoorden en “binnen brachten”. Vanuit Den Haag werkte een kleinere groep die ongeveer 2.000 Joden arresteerden. Dat waren overigens niet allemaal onderduikers, er werden bijvoorbeeld ook mensen op uiterlijk van straat gehaald. De Kolonne Henneicke was voortgekomen uit de Möbelaktion van de Hausraterfassung van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung en de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg . Er werd met criminelen samengewerkt en er waren zelfs een paar Joden lid van die zo uitstel van deportatie kregen, verraad kent geen kleur. Zelfs de Duitsers hadden een hekel aan deze woestelingen.

Als het over onderduiken en verzet gaat, gaat het ook al snel over de distributie en de noodzakelijke bonnen. Op 1 april 1937 was het “Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd” ingesteld. Ir. S.L. Louwes werd het hoofd, hij had tijdens de Eerste Wereldoorlog ervaring opgedaan met voedseldistributie. Tijdens de bezetting kwamen steeds meer producten “op de bon“. Speciaal om onderduikers van voedsel en andere zaken af te snijden voerde Rauter in februari 1944 de zogenaamde Tweede Distributiestamkaart in met een bijbehorend controlezegel op het persoonsbewijs. Maar dit werd pas in juni 1944 verplicht gesteld en dat heeft vrijwel geen effect meer gehad.

De Datum dat producten “op de bon“ kwamen:

  • Juni 1940 Brood, bloem, koffie, thee, textiel, schoenen
  • Juli 1940 Grutterswaren, boter, margarine, spijsvetten
  • Augustus 1940 Zeep
  • September 1940 Vlees en vleeswaren
  • Oktober 1940 Kaas
  • November 1940 Eieren, koek, gebak, aardewerk, glazen voorwerpen, elektrische artikelen
  • Januari 1941 Lucifers
  • April 1941 Melk en aardappelen
  • Juli 1941 Jam en puree
  • November 1941 Cacao en cacaoproducten
  • Mei 1942 Tabaksproducten en versnaperingen
  • September 1942 Taptemelk
  • December 1942 Appelen en zuidvruchten
  • Mei 1943 Alle surrogaten
  • Augustus 1943 Groenten en fruit
  • September 1943 Alle huishoudelijke gebruiksvoorwerpen
  • Juli 1944 Alle soorten vis

Conclusie: Onderduiken heeft substantieel bijgedragen aan het verschil tussen Nederland en Frankrijk. In hoeverre dat voortkomt uit verschillen in de mogelijkheden om onder te duiken, het initiatief bij de slachtoffers om onder te duiken of de wil bij de omstanders om onderduik te verlenen is niet duidelijk. Het staat wel vast dat er in Frankrijk veel meer gelegenheid bestond om met succes tot de bevrijding vervolging te ontlopen. Het bij de Nazi inval direct uitwijken van 30.000 Joden uit Frankrijk geeft daarbij te denken dat de invloed van het initiatief om vervolging te ontlopen ook substantieel was.


Vervoerscapaciteit

De logistieke aspecten van de Shoah vormden een serieus probleem voor de Duitsers. Volgens Griffioen en Zeller was het gebrek aan vervoerscapaciteit één van de belangrijke redenen dat er in Frankrijk minder Joden zijn gedeporteerd. Voor de transporten van de slachtoffers werden Nederland, België en Frankrijk als één logistiek geheel gezien. Een grote invloed op de plannen had het feit dat een belangrijk deel van de voor Frankrijk noodzakelijke treinen gebruikt moest worden voor het vervoer van 150.000 Franse dwangarbeiders naar Duitsland. Pierre Laval had in het kader van de zogenaamde “relève“ afgesproken dat Franse krijgsgevangenen geruild werden tegen dwangarbeiders. Voor iedere drie dwangarbeiders die Frankrijk aan Duitsland leverde, werd één krijgsgevange teruggegeven. De socialistische politicus Pierre Laval was minister van Buitenlandse Zaken en premier van 1931 tot 1932 en van 1935 tot 1936 in Frankrijk. Hij was in de 30’er jaren al enthousiast over de samenwerking met Duitsland, en hij was de premier van het collaborerende Vichy Frankrijk gedurende het grootste deel van de bezettingstijd. De Transportabteilung van de Reichsbahn had daarbij op verzoek van het Verkehrsministerium veel treinen gereserveerd voor vervoer naar het oostelijke front.

Dat de bezetter zeer tevreden was over de deportatietreinen die vanuit Westerbork en Vught op bevel van de Nederlandse regering stipt reden, maakte logistiek manager Adolf Eichmann in 1961 tijdens het proces in Jerusalem duidelijk met de opmerking: ‘In Nederland verliepen de transporten zo vlekkeloos, dat het een lust was om te zien’.


Persoonsregistratie

Lou de Jong wees de Nederlandse persoonsadministratie aan als een belangrijke reden voor de lage overlevingskans in Nederland, en dat beeld is voor veel mensen bepalend gebleven. In de Jong`s visie is die registratie rechtstreeks aanleiding tot de effectieve opsporing geweest. Maar aan het voorbeeld van Frankrijk is te zien dat er ook nog railvervoer en politieagenten nodig waren en dat stond in Nederland wel ter beschikking en in Frankrijk grote delen van de tijd niet. Black beweert dat Theodor Dannecker, Eichmann`s rechterhand in Parijs, heeft aangegeven het aantal slachtoffers niet te kunnen leveren omdat de administratie niet voldeed en dat daarom de “quota`s“ zijn aangepast. Black ziet het dus in de beschikbaarheid van registratie (informatie). Black voert daarbij aan dat de perfecte registratie in Nederland van belang is geweest. In Frankrijk wordt veel waarde gehecht aan het saboteren van een administratie door verzetsheld René Carmille. In Nederland wordt traditioneel veel effect toegeschreven aan de meer dan bereidwillige medewerking van oer-ambtenaar en technocraat Jacobus Lambertus Lentz. Uit de geschiedenis blijkt echter dat ook de Franse politie veel met lijsten heeft gewerkt, dus ook daar ontbrak het ondanks de sabotage toch niet aan een functionerende registratie.

De registratie is geen substantiële oorzaak van verschillen tussen Frankrijk en Nederland, maar de persoonsregistratie is wel van belang geweest voor effectiviteit van het deportatiebeleid, zowel in Frankrijk als in Nederland. Registratie staat natuurlijk niet gelijk aan deportatie. Dat registratie geen noodzakelijke voorwaarde voor vervolging is hebben de Duitsers in Oost-Europa bewezen en ook bij razzia’s in o.a. Amsterdam en Parijs. In Oost-Europa werd de gehele bevolking als vijand beschouwd en behandeld, wat voor die bevolking geen belemmering was om het bestaande antisemitisme uit te leven.

Meedogenloos moordend van deur tot deur Joden zoeken was in Oost-Europa voor de Duitsers geen probleem. De lokale bevolking was ook overwegend antisemitisch. In West-Europa was dat niet mogelijk zonder grote weerstand op te roepen. Daarom was een administratie noodzakelijk. In Polen woonden veel Joden en daar is 17,2 % van de gehele bevolking omgekomen, een heel ander getal dan in Nederland. De bevolking van Galicië is grotendeels ter plekke uitgemoord/ Dat vroeg weinig planning van bijv. transport en dus ook geen statistische informatie. Ook was er geen persoonlijke informatie nodig, men ging van deur tot deur met het doel om mensen te vermoorden. In Rusland waren niet alleen de Joden het slachtoffer, bij voorkeur werd de gehele communistische sociale bovenlaag uitgemoord. In de Russische deelstaat Belarus (“Wit Rusland”), met ruim 9 miljoen inwoners in 1939 iets groter dan Nederland, werd 25,3 % van de gehele bevolking vermoord. In Nederland is inclusief de Joodse slachtoffers als gevolg van de oorlogshandelingen ongeveer 3,5% van de totale bevolking omgekomen.

In West-Europa was een zichtbare orgie van geweld tactisch niet wenselijk, zeker in Nederland werd de bevolking daarbij ook nog als ras-genoot gezien, de “Gleichschaltung“ (nazificatie) was hier een belangrijk met de vernietiging van de Joden concurrerend doel van de Nazi’s.

Op 29 mei 1940 las Seyss-Inquart in de Ridderzaal, bij zijn met de klanken van Wagner versierde installatie, een verklaring voor dat men liever als vrienden binnen was gekomen, en dat de Nederlandse regering een fout had gemaakt door niet mee te werken en zo een inval te voorkomen.

Ook binnen Duitsland hielden de Nazi’s rekening met de gevolgen van vervolging voor de steun onder de bevolking. Op het Duitse platteland was het beleid bewust anders dan in de steden, waar harder werd opgetreden. De Duitsers rapporteerden wekelijks met een “Stimmungsbericht“ over de sfeer onder de Nederlandse bevolking, er bestond interesse op het hoogste niveau. De geweldsspiraal van verzet en repressie begon in Nederland pas echt toen er in april-mei 1943 een staking uitbrak. Op 29 april 1943 had “Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden” en “General der Flieger” Friedrich Christiansen in de landelijke dagbladen bekend laten maken dat alle leden van het voormalige Nederlandse leger die tegen Duitsland hadden gevochten zich moesten melden, dat waren zo`n 300.000 man. De Duitsers waren verbaasd over de snelle en felle reactie van de Nederlanders. De algemene spontane stakingen die uitbraken werden gewelddadig door de bezetter gebroken. Dat was het begin van de grote verwijdering tussen de bezetter en de Nederlandse bevolking. Tot die tijd bestond de tactiek er uit de bevolking zo min mogelijk in het harnas te jagen. Niet alleen Jodenvervolging maar ook “Gleichschaltung“ en exploitatie waren een doel. De wens om doelgericht en relatief onopvallend op te kunnen treden maakte registratie in West-Europa, anders dan in Oost-Europa, tot een noodzakelijke voorwaarde voor effectieve vervolging.

Het grote belang dat door de Nazi’s aan persoonsadministratie in West-Europa werd gehecht en de grote inspanning die ervoor werd geleverd is weliswaar een indirecte, maar in het licht van de hiervoor aangehaalde feiten toch wel reële extra aanwijzing voor het grote belang van registratie voor de vervolging in geheel West-Europa.

Twee gebieden

Omdat Amsterdam zo’n belangrijke plaats innam bij de Jodenvervolging in Nederland, en omdat Aussenstelle Groningen het hoogste percentage slachtoffers maakte, volgt hier enige informatie over die twee plaatsen.

Amsterdam

De Nazi’s kwamen Amsterdam binnen met een grote fantasie over het aantal Joden dat er zou leven, dat was voor de Amsterdamse Joden een slecht begin van de bezetting. Amsterdam was de enige stad in West-Europa waar Duitse plannen voor een gesloten getto hebben bestaan en het gebied rondom het Waterlooplein is ook kortstondig een volledig afgesloten getto geweest. In februari 1941 werd het een “optisch Ghetto“, het gebied bleef er uitzien als een getto maar was niet volledig gesloten. Het was dus echt een getto in Nederlandse stijl, het gedoogbeleid is al eeuwen oud en kan naar blijkt zelfs ghetto's omvatten. Over de situatie in Amsterdam is veel geschreven, het gaat voor de doelstelling van deze tekst te ver om er diep op in te gaan.

De bottom line is dat er op 10 mei 1940 veel Joden in Amsterdam woonden en dat er relatief veel zijn opgepakt, afgevoerd en vermoord en dat daar maar heel weinig Duitsers voor nodig waren. In het voorgaande is de relatief ten opzichte van andere gebieden in West-Europa grote beschikbaarheid van slachtoffers in Amsterdam beschreven. Toen de Duitsers een doel hadden gesteld voor het aantal te plegen moorden op Joden in Nederland, België en Frankrijk, kon dat doel het best en eenvoudigst met het deporteren van Joden uit Amsterdam worden bereikt.

Zie oa.: www.geheugenvanplanzuid.nl/index.php/plan-zuid-en-de-oorlog (/260-archief-plan-zuid-en-de-oorlog)

Aussenstelle Groningen

Het eerste transport van Nederland naar Auschwitz op 15/16 juli 1942 bestond uit ongeveer 2.000 Joden die afkomstig waren uit Groningen en Delfzijl plus uit Duitsland gevluchte Joden die in het gebied dat onder Groningen viel leefden. Via verplichte verhuizing naar Amsterdam en vervolgens Westerbork “emigreerden” zij in het voorjaar van 1942 naar Polen, zoals dat in de statistieken van de Bevolkingsregisters met een zo comfortabel mogelijke term werd opgenomen. Het heeft tot 2008 geduurd voordat door dit eufemisme heen is geprikt en een betere statistiek van de doodsoorzaken in die tijd is gemaakt, zie de tekst: Aantallen slachtoffers.

Toen de Joodse Raad in Amsterdam op 11 mei 1942 weigerde om nog meer dwangarbeiders te leveren, werden die uit de rest van het land gehaald. Op 19 juni werd ermee begonnen dat Joodse mannen zich moesten laten keuren. Alleen in Groningen weigerden de Joodse artsen mee te werken en werden de keuringen geheel door NSB artsen uitgevoerd. Het gevolg was dat in tegenstelling tot de rest van het land, vrijwel iedereen werd goedgekeurd. Veel Groningse Joodse mannen van 17 tot 55 jaar werden op 10 juli 1942 in werkkampen gestopt. Op shabbat 3 oktober 1942 moesten hun vrouwen en kinderen zich op het station van Groningen melden, zoals in heel Nederland alle families van mannen in een werkkamp. NSB Hoofdcommissaris Elzinga vertelde zijn mannen sarcastisch dat hun de schone taak stond te wachten om de gezinnen te herenigen. Want ook de dwangarbeiders gingen naar Westerbork. Zoals bijvoorbeeld de dwangarbeiders die van Geesbrug onder bewaking van de Grüne Polizei naar Hoogeveen moesten lopen. Zij werden daar op het station over het met zware bewaking afgezette perron, de veewagons ingedreven die al vol zaten met dwangarbeiders uit het westen. De gezinnen werden de volgende dag in Westerbork herenigd om direct daarna voor de “werkverruiming” naar Polen te “emigreren”. Zo werden de noordelijke provincies direct bij de eerste grote actie onbedoeld door het protest van de Joodse artsen op een “voorsprong“ gezet ten opzichte van de rest van het land.

Bij het zoeken naar achtergronden van de overlevingskans is het logisch om te kijken naar de bevelsketen: RSHA Berlijn, Zentralstelle für jüdische Auswanderung, de Aussenstellen, de Burgemeesters en de uitvoerende politie en hulpkrachten. De organisatie van de daders lijkt een grote rol te spelen. Over de mate van zelfstandigheid van de Aussenstellen bestaat verschil van opvatting. Lang werd aangenomen dat het strak van boven af was georganiseerd, dat beeld raakt bijgesteld. Aangezien het Nazisme een behoorlijke chaos met veel interne strijd was, en op veel plaatsen vooral aan het eind de vage megalomane bevelen decentraal concreet moesten worden gemaakt, acht ik het waarschijnlijk dat de moderne opvatting klopt. In dat geval kan dus een belangrijke rol aan het functioneren van de Aussenstelle Groningen worden toegekend, en dat lijkt door de informatie te worden bevestigd. De fanatieke NSB-hoofdcommissarissen van politie A.J. Elzinga, die op oudejaarsdag 1943 door het verzet werd geliquideerd, en zijn opvolger Philippus Blank speelden ook een grote rol in de stad waar meer dan tweederde van de “Grunniger Jeud`n” woonde. De gewelddadigheid en het fanatisme bij gemeentepolitie en Sipo lijken elkaar te hebben versterkt. De politie en de Aussenstelle in Groningen hebben vooral aan het eind en tot de laatste dag een afschuwelijke rol gespeeld, maar of dat invloed heeft gehad op het overleven in Groningen is de vraag. Bij de Aussenstelle Groningen waren een paar daders betrokken, die mede de oorzaak van de lage overlevingskans daar kunnen zijn. Curieus is dat Bernard Georg Haase die het langst commandant in het Scholtenhuis was, relatief mild was voor de gevangenen. Hij liet vooral geestelijken gaan, ook als die hadden toegegeven banden te hebben met het verzet. De mannen die direct daaronder stonden; Ernst Knorr, Robert Wilhelm Lehnhoff, en de Nederlandse beul Peter Schaap staan bekend als behorend tot de wreedste SD/Sipo/Gestapo mannen in Nederland. In 1942 /43 gingen ook deze mannen nog niet zonder opdracht Joden halen en vermoorden, later wel. Maar dat ging om kleine aantallen. Lehnhoff gebruikte op een gegeven moment stempels die op het verzet buit waren gemaakt, om vervalste Fahrbefehle op te stellen zodat er buiten de opdrachten om gemoord kon worden. Toch kan dat niet in percentages terug te zien zijn.

Op “Dolle Dinsdag” 5 september 1944 deden in heel Nederland sterke geruchten de ronde dat het land elk moment bevrijd zou worden. Veel van de meest fanatieke Nederlandse daders gingen naar het Noord-Oosten van het land. Groningen, Drenthe en Overijssel kregen fanatieke, wanhopige en tot extreem geweld bereid zijnde mannen binnen, die in de laatste maanden van de oorlog nog zoveel mogelijk verzetsmensen en Joden wreed hebben behandeld en vermoord. Maar voor de grote sterfte onder Joden in Nederland heeft dat niet veel meer uitgemaakt.


Geografische analyse

Er bestaat altijd veel aandacht voor een geografische analyse van informatie, een mens kan daarin zijn eigen positie gemakkelijk bepalen. Maar de waarde van een geografische analyse is in veel gevallen zeer beperkt. De kans dat inzoomen op het verschil tussen Nederland en Frankrijk tot zinvolle conclusies leidt is kleiner dan wanneer het als een geheel geanalyseerd zou worden.

Een geografische analyse is een problematische manier om inzicht in data te verkrijgen. Een geografische weergave refereert vrijwel altijd aan impliciete kennis, al snel wordt uitgegaan van vooroordelen met een sterk “wij“ en ”zij” gevoel. De territoriale insteek heeft in essentie een hoog “Blut und Boden“ gehalte. Alleen als het onderwerp daadwerkelijk een relatie met "de bodem" heeft zijn geografische invalshoeken nuttig. Bijvoorbeeld de organisatorische indeling van het Duitse geweldsapparaat in Nederland tijdens het Derde Rijk is geen echt geografisch gegeven, maar een organisatorische hiërarchie. Verschillen tussen de Aussenstellen zijn in Berlijn en den Haag bepaald, niet ter plekke. Het heeft geen echte relatie met andere kenmerken van de gebieden, uiteraard is wel het effect van het beleid in het bestuurde gebied meetbaar. Dat de effecten van een omstandigheid tot geografisch verschillende uitkomsten leiden, betekent niet dat de oorzaken ook een geografische basis hebben.

Een aspect van geografische analyse is dat het indelen in gebieden zinvol moet zijn en in relatie tot het onderwerp goed uitgevoerd moet worden. Bijvoorbeeld als het om het percentage slachtoffers van WOII gaat is Rusland een zinloze categorie, Oekraïne en Belarus (Wit Rusland) moeten apart van Rusland staan. Toch wordt dat niet vaak gedaan. Het probleem om geografische gebieden zinvol in te delen heet in de statistiek het “modifiable areal unit problem” (MAUP). De geografische eenheid moet een relatie hebben met de data. Er spelen twee effecten; het schaal effect en het zone effect. Hoe groot moeten de gebieden zijn (scale effect) en waar trek je de grenzen (zonation of aggregation effect). Taylor en Openshaw (1979) zagen in Iowa een correlatie tussen Republikeins stemmen en het percentage oudere mensen kon variëren tussen -.97 en +.99 afhankelijk van de keuze van de grenzen. Openshaw en Rao (1995) zagen correlaties tussen werkeloosheid en autobezit in Merseyside van -1.00 tot +1.00. Met andere woorden het kan alle kanten op, vanaf dat een werkeloze zeker geen auto heeft (-1.00), tot dat een werkeloze zeker een auto heeft (+1.00), het is maar hoe de grenzen worden getrokken. Eerst moet de invloed van de te bestuderen processen bekend zijn, voor ze kunnen worden geclusterd. Elk geografische proces vindt plaats op één bepaalde schaal en kan alleen op die schaal bestudeerd worden. En die schaal is voor een bepaald proces ook nog niet noodzakelijkerwijze overal dezelfde binnen het te bestuderen gebied.

Helaas is data lang altijd niet beschikbaar op de goede schaal. Het naar een lager niveau toekennen van data op te hoog niveau is vrijwel altijd onmogelijk, en van te gedetailleerde data is het de vraag hoe die geaggregeerd moet worden. Je moet dus weten wat je in geografisch geordende data zoekt, voor je het kan vinden. Er bestaat speciale software om zones te maken voor sociologisch onderzoek, data kan op grond van die aanbeveling worden verzameld. Over MAUP staat veel op het internet, een klassieke tekst is: http://qmrg.org.uk/files/2008/11/38-maup-openshaw.pdf

In het artikel van Blom wordt gesproken over de niet door mij gelezen publicatie “De Twentse paradox. De lotgevallen van de joodse bevolking van Hengelo en Enschede tijdens de Tweede Wereldoorlog“ van M.J. Schenkel. Uitgangspunt is dat de situatie daar bijzonder zou zijn geweest omdat er “zelfs“ ongeveer 50% van de Joodse bevolking heeft overleefd. Daar wordt een verklaring voor gevonden in een “immunisering“ die zou uitgaan van het vroegtijdige hard optreden door de Duitsers.

Blom voert de nuchtere logische bedenking aan dat de “immunisering“ dan in Amsterdam niet heeft gewerkt, gezien het ontbreken van zo`n effect als gevolg van de Februaristaking. Uit de data valt ook op dat als immunisering een verklaring is, dat er dan onverklaarbaar in Rijssen op 27 km afstand en Winterswijk op 40 km zoveel Joden zijn gestorven. Daar komt bij dat de overlevingskans van 52,1% en 50,3 % in Enschede en Hengelo helemaal niet zo bijzonder zijn dat er een bijzondere verklaring voor moet bestaan. Veel vergelijkbare steden in Nederland kenden een dergelijk percentage. Dat maakt het lokale verhaal niet onbelangrijk. Elke overlevende heeft zijn unieke verhaal, op menselijk niveau is elk verhaal belangrijk. De focus op het geografische heeft in dit geval tot de illusie geleid dat er in het algemeen iets bijzonders aan de hand zou zijn geweest.

De Twentse paradox is dus echt een paradox: "een ogenschijnlijk tegenstrijdige situatie waarvan de vermeende tegenstrijdigheid berust op een denkfout of een verkeerde redenering".

Het Lot van Joden tijdens de bezetting



Vervolging nl 1.png
Vervolging nl 2.png
Aantallen - Lot van Joden per land tijdens het Derde Rijk. Percentage - Lot van Joden per land tijdens het Derde Rijk.



Vervolging nl 3.png



Als we de verschillen tussen Frankrijk en Nederland willen verklaren, is het logisch om eens te kijken naar wat het lot van de Joden in die landen was. Wat is er gebeurd tussen de inval en de bevrijdingsdag. De grafieken geven het lot weer van Nederlandse, Belgische en Franse Joden in aantallen en in percentage van het totaal aantal Joden per land. Het valt direct op dat de meeste Nederlandse Joden waren gedeporteerd, dat is geen nieuws. Maar dat het aantal Franse onderduikers het aantal gedeporteerden uit Nederland overtrof, is geen breed levend beeld.

Met “legaal bevrijding gehaald” worden de officiële vrijstellingen bedoeld. In Nederland geloofden de collectief vervolgden sterk in het verkrijgen van een individuele uitzonderingsstatus. Voor de Duitsers was dat handig vanwege het logistieke effect. Deze mensen bleven vrijwillig in zicht tot hun uiteindelijke deportatie een feit werd. Het gevolg was dat de deportaties daarmee in de tijd gespreid konden worden, wat noodzakelijk was voor de uitvoerbaarheid Nog voor de capitulatie zijn veel Franse Joden ontsnapt, 50% van de Franse Joden was immigrant en had al ervaring met het Nazi geweld, het duurde langer voor Frankrijk zich overgaf en men kon over land vluchten. Van de Joden in Nederland woonde 85% al generaties hier en probeerde niet te ontsnappen, de 5 dagen tot de capitulatie en daarbij de Duitse omsingeling, boden ook niet veel kans op ontsnapping. Het lijkt er op dat juist de hoge mate van integratie van de Joodse Nederlanders, hetgeen is dat de Nederlandse Joden is opgebroken. (Bron data: Griffioen en Zeller, blz. 641).

De Tijd

In het voorgaande overzicht van het “lot“ is geen rekening gehouden met de tijd, de getallen betreffen de hele periode alhoewel bepaalde invloeden duidelijk tijdgebonden zijn, zoals het ontsnappen bij de inval. Een grafische weergave van de deportatie-aantallen per maand maakt naast de hiervoor gepresenteerde informatie over het lot, nog een raamwerk zichtbaar waarbinnen conclusies moeten passen en waar inzichten uit kunnen ontstaan. Er zijn twee duidelijke pieken zichtbaar, deze moeten binnen een verklaring passen. Als er een grote nadruk op de rol van de Nederlandse omstanders wordt gelegd, zou er een verklaring moeten worden gevonden waarom de Nederlanders in twee perioden zo veel naarder waren. Zijn ons bijvoorbeeld twee golven in het weigeren van onderduik en het aangeven van Joden bekend? De mate waarin een verklaring voor die pieken wordt gevonden in verschillen in intenties en/of omstandigheden bij de daders levert een indicatie voor de invloed van de daders op het proces van uitroeiing. Deze pieken zijn zo significant dat het kansloos lijkt dat een analyse een zinvol resultaat kan opleveren als een verklaring daarvoor buiten beschouwing blijft.

Aantal deportaties per maand.png
Gedeporteerd percentage van de Joodse bevolking.png

De deportaties vanuit Nederland kennen duidelijk enige pieken;

  • juli 1942 - november 1942, vanaf de eerste deportaties tot de kerst,
  • februari 1943 - juli 1943 met grote razzia`s in Amsterdam,
  • januari 1944 - maart 1944,
  • september 1944. Het verschil met Frankrijk loopt vanaf september 1942 tot en met juni 1943 snel op.
Cumulatief Aantal Deportaties.png
Cumulatief Percentage Deportaties.png

Vanaf maart 1943 is het totaal aantal gedeporteerde mensen uit Nederland groter dan uit Frankrijk, voor het percentage is dat vanaf november 1942 het geval.

Frankrijk - Nederland - Verschil in percentage.png
Frankrijk - Nederland - procent van het totale verschil.png

Er wordt vooral gesproken in termen van percentage, maar het is toch ook zinvol om naar aantallen te kijken. Voor de uitvoering en dus de logistiek was het aantal mensen per tijdseenheid dat gedeporteerd en vermoord kan worden van belang, en niet het percentage van de bevolking.

N.B. bovenstaande data is gebaseerd op "Gif laten wij niet voortbestaan" van Croes en Tammes.

Perioden

Griffioen en Zeller onderscheiden een aantal perioden bij het verklaren van het totale verschil van 50% deportaties tussen Nederland (75%) en Frankrijk (25%) en benoemen per periode de aspecten die tot het verschil kunnen hebben geleid. Heel kort samengevat, met alleen de belangrijkste aspecten genoemd:


juli 1942 – medio november 1942

  • 10 % van de 50% verschil
  • In Nederland had de bezetter vrijheid van handelen
  • In Frankrijk was de houding van de hoogste autoriteiten van belang


medio november 1942 – medio juni 1943

  • 25,5 % van de 50% verschil
  • In Nederland had de bezetter vrijheid van handelen
  • In Frankrijk was de houding van de hoogste autoriteiten van belang
  • In Frankrijk speelde onderduiken een grote rol


medio juni 1943 – september 1944

  • 14,5 % van de 50% verschil
  • In Frankrijk bestond een gebrek aan politie en opsporingscapaciteit omdat de Franse politie niet meer meewerkte

Numerieke analyse

Veel pogingen om de relatief hoge sterfte onder Nederlandse Joden te verklaren gaan uit van een aantal historische feiten en ervaringen die geplaatst worden op basis van algemene veronderstellingen die uit de psychologie en sociologie bekend zijn. De moderne aanpak maakt daarbij gebruik van het zo goed mogelijk verzamelen en analyseren van in getallen uitgedrukte feiten. Op zijn minst kunnen zo veronderstellingen objectiever getoetst worden. Dat een getalsmatige aanpak veel kan brengen kan je jezelf elke dag bewijzen. Iedere Nederlander heeft een mening over van alles, zoek eens via het internet op een site als Statline van het Centraal Bureau voor de Statistiek op in hoeverre de veronderstellingen waarop jouw mening is gebaseerd kloppen. Dat levert al snel verrassende inzichten op. Naarmate een mening gepassioneerder wordt aangehangen, is het verifiëren nuttiger. Een kwantitatieve analyse, is een krachtig instrument. Maar we worden ook omringd door numeriek verpakte propaganda. Lees de krant of kijk naar de TV en maak een paar simpele berekeningen of iets waarschijnlijk is, en je zal snel een item vinden waarin je bij de neus genomen wordt. Een numerieke aanpak leidt duidelijk niet vanzelf tot zinvolle en correcte resultaten. Statistiek beschrijft niet vanzelf de werkelijkheid, het is een manier waarop wij een opvatting over de werkelijkheid effectief kunnen modelleren, communiceren en toetsen. Cognitieve illusies spelen ons stevig parten bij de beoordeling van de wereld om ons heen en statistiek is een middel waarmee we kunnen proberen om die illusies te doorzien. Maar statistische illusies liggen ook overal als adders onder het gras op ons te wachten.

De mens heeft behoefte aan begrijpelijke verklaringen voor wat hem overkomt. Verklaren is vereenvoudigen, informatie wordt gecreëerd door het comprimeren van mogelijkheden (Compression of possibilities is the process of how new information is created - http://en.wikipedia.org/wiki/Decoding_Reality). In “Decoding Reality“ (Oxford University Press, 2010 - http://www.vlatkovedral.org) zegt Vlatko Vedral: “We humans thrive on reducing complexity, finding it more beautiful and more believable to summarize our whole understanding ultimately in terms of one principle (whether it is a single god or a single theory of everything)“ (blz. 6) en “we compress information into laws from which we construct our reality, and this reality then tells us how to further compress information“ (blz. 12). Primo Levi heeft opgemerkt dat de wens om te vereenvoudigen gerechtvaardigd is, maar de vereenvoudiging niet altijd. Dingen kunnen helaas niet eenvoudiger worden gemaakt dan dat ze zijn. Met een getalsmatige aanpak kunnen dingen die complex zijn ook niet eenvoudiger worden gemaakt dan dat ze zijn. En dat is zeker het geval als het om dit vraagstuk gaat. Ockhams scheermes (“Novacula Occami“) is hier ook duidelijk een nuttig stuk gereedschap: “Men moet de zijnden (gepostuleerde objecten binnen een hypothese) niet zonder noodzaak verveelvoudigen”, simpel gezegd: “men moet niet het bestaan van iets veronderstellen als onze ervaringen ook op een andere manier kunnen worden verklaard“. De Duitse bezetting en de Duitse wens om de Joden kwaad aan te doen waren een evident en goed waarneembaar gegeven, nieuwe aanvullende veronderstellingen, zoals eigenschappen van groepen Nederlanders, hebben per definitie niet veel kans op het leveren van een zinvolle en productieve verklaring.

Griffioen en Zeller plaatsen hun historiografische analyse in het kader van getallen over de deportaties en aspecten daarvan. Bij Croes en Tammes vormt een numerieke analyse de basis van de insteek. Over de studie van Croes en Tammes heb ik het een en ander op te merken. De tekst is als “read only pdf“ gratis beschikbaar op het internet, zodat iedereen het kan lezen.

Bij dit alles moet bedacht worden dat geschiedenis een bijzondere vorm van wetenschap is: 'Wetenschappers proberen normaal gesproken een voorspelling over de toekomst te maken, maar historici maken een voorspelling over het verleden' (naar Vlatko Vedral).

Gif laten wij niet voortbestaan
In de studie “Gif laten wij niet voortbestaan“ berichten de auteurs Croes en Tammes over de uitgebreide numerieke analyse die ze hebben uitgevoerd naar de achtergronden van de individuele overlevingskansen, waarom iemand de bevrijding haalde of niet. Daarbij is vanaf gemeenteniveau gekeken. Het resultaat van de multivariante multiniveau analyse is een tabel met correlatieparameters. En daar kan alleen iemand die geschoold is in statistiek iets mee doen, de data is niet zichtbaar gemaakt. Zonder bijbehorende datavisualisatie missen we veel informatie, zoals het kwartet van Anscombe laat zien. Een correlatiegetal zonder datavisualisatie kan moeilijk tot onmogelijk worden geïnterpreteerd en zegt feitelijk niets. Als er een causaal verband is vastgesteld kan de parameter zinvol gebruikt worden in berekeningen, maar dat is iets heel anders dan op basis van alleen een correlatieparameter navolgbaar willen tonen dat er daadwerkelijk een causaal verband bestaat.


Eén van de problemen met deze studie is dat er geen rekening wordt gehouden met de tijd, deze analyse kent geen onderscheid in perioden. De tekst geeft wel veel aandacht aan veranderingen in de tijd, maar in de uiteindelijke uitkomst van de numerieke analyse (blz. 518 en 528) zijn alle oorzaken voor de hele bezettingstijd op één hoop gegooid. In de werkelijkheid was er echter tussen 10 mei 1940 en 5 mei 1945 geen sprake van een gelijke aanpak, het was een dynamisch gebeuren en het lijkt niet op zijn plaats om over de gehele periode in één keer conclusies te trekken.


De analyse is geografisch gericht en veronderstelt om te beginnen een gelijk functionerende hiërarchische bevelsketen vanaf Berlijn tot aan de uitvoerende Nederlandse politieagent. Bijvoorbeeld bij het vergelijken van overlevingskansen op gemeenteniveau in relatie tot het percentage protestante en katholieke inwoners zien we welke problemen een geografische analyse oplevert, in de praktijk komt het neer op het creëren van een statistische illusie. Het is niet aannemelijk dat het verschil tussen de aanpak van de Aussenstelle Groningen en de Aussenstelle Maastricht een relatie heeft met de geloofstraditie van de mensen in dat gebied, maar wel met Duitse beslissingen wie waar werd geplaatst. Het duidelijk geografisch gebonden feit dat de Nazi's Noord-Nederland als een Arisch gebied beschouwden is niet meegenomen, terwijl het niet onvoorstelbaar is dat die opvatting van de Nazi's invloed heeft gehad op de aanpak van de bezetter. Het is voorstelbaar dat "eigen gebied" "schoner" moest zijn. Aangezien Noord-Nederland overwegend protestants is en Zuid-Nederland katholiek, loopt die grens enigszins parallel. Het is helemaal niet duidelijk wat de invloed daarvan en wat er echt is berekend als het gaat over het verschil in overlevingskans in een protestantse of katholieke omgeving. Dat er een correlatie wordt aangetoond zegt niet automatisch over causaliteit. Correlaties zeggen niets over oorzaak en gevolg als er verder geen informatie beschikbaar is. En de informatie die in dit geval beschikbaar is geeft aan dat de gevonden correlaties waarschijnlijk niet aansluiten bij een reële causaliteit.

Statistiek met betrekking tot mortaliteit is zonder meer lastig, want uiteindelijk sterft iedereen en dat binnen een redelijk goed voorspelbaar tijdsbestek. In feite kan alleen gesproken worden over een verkorting van de te verwachten levensduur als gevolg van een factor. Mensen sterven omdat ze leven, niet omdat er iets voorvalt. Je sterft niet door het voorval in de zin dat je zonder dat voorval niet was gestorven, je leeft korter door het voorval. Een voorval kan leiden tot verkorting van de levensduur zoals die verwacht werd, meer niet. Als de Joden niet tussen de peildata in 1940 en 1945 door de Nazi's waren vermoord, was een deel ook door natuurlijke oorzaak gestorven. Een levensverhaal met een gewelddadig eind is uiteraard heel anders dan een verhaal met een "normaal" eind, maar daar gaat het nu niet over. Waar het wel over gaat is dat bij het noemen van het percentage vermoorde Joden over een periode van vijf jaar, eigenlijk rekening zou moeten worden gehouden met natuurlijk verloop. Ook het uitblijven van geboortes zou mee moeten worden geteld, want dat heeft veel invloed op de toekomst. Uiteraard is duidelijk dat het zo steeds meer een zaak van inschatting wordt en dat zoeken we niet. De mate waarin de levensverwachting van de Joden door de Nazi's werd verkort is maatgevend, maar dat is moeilijk om te berekenen dus houden we het op het percentage in die periode gestorven individuen. Bij het vaststellen van het totale aantal in Europa vermoorde Joden gaat het in de praktijk ook niet om een optelsom maar om een schatting op basis van demografische gegevens.

Vervolging is daarbij een sterk chaotisch verschijnsel, een heel klein verschil in uitgangstoestand kan leiden tot het 100% verschil van leven of dood als uitkomst. Het feit dat de uitkomst geen gradatie kent, maakt dat statistiek bedrijven extra moeilijk is ook al lijkt de alles of niets uitkomst juist zo duidelijk.

De studie van Croes en Tammes levert een grote hoeveelheid interessante getallen en is daarom de moeite van het lezen waard, maar het toont ook aan hoe moeilijk het is om inzichten uit data te halen. Een numerieke aanpak is zeker geschikt om veronderstellingen te toetsen of om op hypotheses te komen, maar getallen presenteren niet automatisch de waarheid. Les 1 van de statistiek blijft: correlatie is geen causatie! Naar mijn oordeel wordt er in de studie van Croes en Tammes een groot risico gelopen dat statistische illusies als steekhoudende conclusies worden gepresenteerd. Ter informatie: Ik heb met Croes en Tammes een corresponentie gevoerd maar we zijn niet tot een gezamenlijke conclusie gekomen, mijn opmerkingen worden door hun niet als zinvol ervaren en ik ervaar het als dat het mij niet is gelukt om over te brengen wat ik bedoel te zeggen. Hun stelling is dat de studie wel degelijk aandacht aan de perioden geeft, terwijl ik daarvan in de resultaten niets terug zie. Mijn visie op deze studie staat dus ter discussie en iedereen moet ten aanzien van wat hier staat meer nog dan anders zijn eigen oordeel vellen.

Entropie

Een aantal omstandigheden en verhalen zijn de revue passeren en dat is nog maar een deeltje van wat er te weten valt. Uit de verhalen wordt duidelijk dat het individuele niveau van daders en slachtoffers van groot belang is voor de individuele uitkomst. Met eenzelfde houding van de individuele betrokkenen bij de groepen daders, omstanders en slachtoffers en andere globale opdrachten waren er andere globale uitkomsten geweest, terwijl dezelfde globale opdrachten en een andere houding van de betrokken individuen resulteren in andere individuele uitkomsten. De relatie tussen de globale en de individuele uitkomst is complex. Bij het zoeken van oorzaken waarom de ene mens een lot treft en de ander niet, doet het persoonlijk er in hoge mate toe en dat kan niet worden verklaard vanuit statistiek als die niet vanuit data op persoonlijk niveau is opgesteld.

De vraag die vaak benoemd wordt is “hoe komt het dat de overlevingskans in Nederland zoveel te lager was dan in omringende landen”. Maar de vraag die bij veel mensen eigenlijk lijkt te leven is “wat zijn de factoren die de individuele overlevingskans hebben beïnvloed”. Dat zijn echter twee heel verschillende zaken, het beschouwen van het lot van individuen en het beschouwen van het lot van groepen mensen is van een verschillende orde; “More is Different“ (Philip Anderson). Het gaat over andere zaken die allebei waar zijn en een eigen dynamiek kennen. Net zoals in de natuurkunde, waar licht naar de inzichten van de kwantum-mechanica als deeltje en als golf wordt beschouwd. Maar je kan het niet tegelijk op beide manieren beschouwen. In het Engels heet dat “Complementarity “en in het Duits “Komplementaritätsprinzip“, interessant genoeg bestaat er geen Nederlands woord voor. Vlatko Vedral`s “Decoding Reality“ biedt een goede uitleg. Een mens is een kwant, een deeltje van leven, de samenleving is de golf. Je kan zeggen dat historici zich vooral met deeltjes bezig houden, en sociologen met de golf. De micro en macro wereld staan uiteraard niet los van elkaar, er bestaan in de natuurkunde duidelijk beschreven relaties (variaties op S = k log W). Op micro (kwantum/deeltjes) niveau heeft het handelen van individuen grote betekenis, zoals meedogenloos en fanatiek optreden van daders, ingrijpen door omstanders, en ook de dociliteit van slachtoffers en omstandigheden van de slachtoffers, etc. Op macro (golf) niveau zijn omstandigheden zoals het soort bestuur en de beschikbaarheid van vervoer van belang, maar vooral ook beslissingen van het RSHA Judenreferat. Het is evident dat de beslissingen van het RSHA Judenreferat in Berlijn van invloed waren op de overlevingskans in Lutjebroek. Dat in Berlijn werd besloten om niet 15.000 maar 40.000 Joden binnen 8 maanden uit Nederland af te voeren, heeft onmiskenbaar invloed gehad op de gemiddelde individuele overlevingskans in die 8 maanden. Op individueel niveau is er sprake van een complex netwerk van tegen- en meekoppelende factoren, dat leidt tot een chaotisch systeem voor wat betreft de voorspelbaarheid van de uitkomst op individueel niveau: kleine verschillen in uitgangstoestand kunnen tot grote verschillen in resultaat leiden. Vrijwel dezelfde samenloop van omstandigheden kon in het ene geval de dood tot gevolg hebben en in het andere geval niet. Toeval, geluk en pech, vormden een belangrijke en niet zelden doorslaggevende factor. Vrijwel iedere Nederlandse Jood die het heeft overleefd deelde een groot aantal kenmerken qua achtergrond en omgeving met mensen die het niet hebben overleefd, in veel gevallen was men lid van een familie die niet of maar gedeeltelijk meer bestaat en is het onmogelijk om voor het overleven mogelijke oorzaken aan te geven buiten toeval en eventueel heel persoonlijke kenmerken.

Op blz. 535 van “Gif laten wij niet voortbestaan“ wordt als conclusie gebracht dat algemene verklaringen voor het verschil in de overlevingskans van Joden in Nederland en Frankrijk tussen 1940 en 1945 alleen kunnen voldoen als rekening wordt gehouden met de variantie op lagere niveaus. Een reden die wordt aangevoerd is dat de kans op gemeenteniveau varieerde van 0% tot 100%, in sommige gemeentes overleefde niemand en in andere gemeentes overleefde iedereen. Op individueel niveau is dat logischerwijze nog duidelijker, daar is het altijd 0% of 100%. Het beschouwen van het indivduele lot en het beschouwen van het grote geheel zijn twee verschillende zaken. De verhouding tussen die twee is onderwerp van wat entropie wordt genoemd. Het individuele lot heeft in hoge mate een toevalskarakter, maar het geheel is praktisch gesproken deterministisch. Een belangrijk inzicht uit de natuurkunde is dat een vrijwel deterministisch systeem kan bestaan uit elementen die zich volledig onvoorspelbaar gedragen. De toestand van individuele ijzeratomen kan alleen in termen van waarschijnlijkheid worden beschreven, maar een stuk ijzer komt niet heel erg toevallig over, daar bouwen we bruggen mee. Entropie beschrijft een wezenlijk aspect van de relatie tussen de elementen en het systeem. Berekeningen op het niveau van de elementen hebben geen betekenis voor het model van het gedrag van het systeem. Newton's F=m*a verandert niet door nieuwe inzichten in de elementaire natuurkunde. Voor het maken van statische berekeningen, doet natuurkunde op het niveau van deeltjes er niet toe. Als Italië bij de analyse van sterfte onder Joden wordt betrokken, wordt direct zichtbaar hoe belangrijk het bevel vanaf het hoogste niveau is en dat verklaringen op basis van oorzaken op lagere niveau's van ondergeschikt belang moeten zijn.

De macro-gechiedenis is niet persoonlijk. Als er uitspraken op persoonlijk niveau moeten worden gedaan, moet er informatie op persoonlijk niveau aan ten grondslag liggen. De aanpak van de Nazi's had zonder twijfel tot gevolg dat er veel Joden zouden sterven, maar wie dat was maakte voor de Nazi's niet uit. De doelstellingen werden vooral op basis van beschikbare capaciteit in percentages en aantallen gedefinieerd, en niet op basis van namen. Als er met namenlijsten werd gewerkt, dan was dat om logistieke redenen. Ook dan was het feitelijk nog niet op die personen gericht maar nog steeds een toevallige gebeurtenis voorzover het de persoon betrof. Als het echt om namen ging, dan ging het om politieke tegenstanders en een ander vervolgingsmechanisme dan de Shoah. Beschouwen van vervolging maakt het entropische karakter van de samenleving duidelijk.

De St. Louis

Het verhaal dat mevrouw Hannelore Grünberg-Klein vertelt in haar boek "Zolang er nog tranen zijn" is een helder voorbeeld van de verhouding tussen collectief en individueel lot. Er wordt verslag gedaan van de reis van een aantal schepen met Joodse vluchtelingen die op 13 mei 1939 vanuit Hamburg naar Cuba vertrokken. Op het schip de St. Louis waar mevrouw Grünberg-Klein als kind met haar ouders op zat, waren 937 vluchtelingen aanwezig.

De vluchtelingen mochten Cuba met het (via ambtelijke corruptie verkregen) visum waar men over beschikte niet binnen en gingen vanwege de houding van de Cubanen hun ondergang tegemoet, althans dat is hoe het verhaal samengevat de geschiedenis in gaat. De terugkeer van de St. Louis bij Cuba wordt gebracht als de dramatische wending in het levensverhaal van de vluchtelingen. Het collective noodlot is volgens de geschiedenis door individuen binnen de Cubaanse regering bepaald.

Maar op blz. 39 staat een interessante tekst die door de namens de vluchtelingen onderhandelende advocaat is uitgesproken: "Er is een conditie; indien U bereid zou zijn deze na te komen, kunt U ook zonder landingspermit landen. De president is namelijk bereid alle christenen aan land te laten, deze worden niet gecontroleerd. De president wenst uitsluitend dat U zich door een kruis aan mouw of revers als christen kenmerkt. Dat is alles. U moet mij excuseren, het was mijn plicht U van deze mogelijkheid op de hoogte te brengen. Berenson [de Joodse advocaat die namens de vluchtelingen onderhandelde] had hier kennelijk moeite mee. Het klinkt als een bespotting. ... Van de 937 passagiers melden zich er vier die als christen het schip willen verlaten." De opmerking Het klinkt als een bespotting maakt veel duidelijk over het religieus gedreven ego gehalte van de genomen beslissingen. Er zullen slechts 6 passagiers op deze eenvoudige en gegeven de omstandigheden en opgelegde conditie zeer acceptabele manier hun eigen lot in handen nemen en allemaal overleven. Meer mensen hebben voor een poging tot zelfmoord gekozen en zijn aan land gebracht naar een ziekenhuis of gestorven. In totaal zijn in Cuba 29 mensen aan land gegaan, waarvan 6 door even een kruis op het revers te zetten zo de loopplank af te lopen. Aanzienlijk meer mensen hebben direct de suïcidale uitweg gekozen dan het aantal mensen dat zo van boord is gelopen door even en slechts voor de vorm het geloof aan de kant te zetten.

Hoe moeten we deze historische gebeurtenis plaatsen? Er bevinden zich ongeveer 1000 mensen in een in hoge mate vergelijkbare situatie met een in hoge mate gelijke achtergrond en de doelstelling om buiten Europa in veiligheid te komen. Slechts ongeveer 0,5% is de boot met een kruis op de jas afgelopen en heeft door deze individuele beslissing en zonder enig nadeel te ondervinden de doelstelling bereikt. Het lijkt duidelijk dat iedereen op deze wijze de doelstelling had kunnen bereiken. Meer mensen, ongeveer 2,5%, hebben voor suïcide gekozen en het bereiken van het oorspronkelijke doel voor altijd onmogelijk gemaakt. Eigenlijk heeft men dus op 0,5% na alleen maar fatalistisch zitten te wachten op het noodlot of is dat noodlot actief tegemoet getreden. Wel zijn onderweg terug ongeveer 300 mensen (30%) bereid geweest om het hachelijke avontuur aan te gaan om met reddinsgboten vanaf de St. Louis naar de kust van Florida te gaan. Maar dat is voorkomen door de Amerikaanse kustwacht. Verreweg de grootste meerderheid is door eigen toedoen met het lot verder gedreven. Een statistische analyse van het lot van bootvluchtelingen als groep laat ongetwijfeld een correlatie zien tussen het afwijzen door Cuba van die boten en vroegtijdig sterven. Boten waarvan de vluchtelingen wel aan land mochten gaan kenden uiteraard geen sterfte door Nazi geweld onder die vluchtelingen, van de vluchtelingen op de St. Louis is uiteindelijk een groot aantal door Nazi geweld omgekomen. Een statistische analyse kan maar één resultaat opleveren; het door de Cubanen afwijzen van de St. Louis heeft een significante correlatie met sterfte door Nazi geweld. Maar is dat een zinvolle beschrijving van de geschiedenis?

De tocht van de St. Louis lijkt wel een laboratorium experiment. 1000 mensen met zo'n hoge mate van overeenomst in achtergrond en doelstelling in zo'n historisch duidelijk gekende situatie waarin concreet over leven en dood beslist moet worden kom je niet snel tegen. Het is een helder voorbeeld van de relatie tussen het individuele en het collectieve dat laat zien hoe individuen samen hun individuele beslissingsruimte bepalen. De mensen vormden op de St. Louis samen een sociaal veld dat zo homogeen en sterk was dat vrijwel geen enkel individu zich daar aan kon onttrekken. Maar 3% onttrok zich aan dit door alle individuen samen gecreëerde beslissingsveld. Opmerkelijk genoeg 5 keer zo vaak met een keuze voor suïcide dan voor vrijheid. Het uit de groep treden vraagt kennelijk een te grote verandering van het ik-verhaal en het ego valt uit elkaar. Het is met 0,5% een uitzonderlijk kleine minderheid die het gestelde doel wist te verwezenlijken door de situatie realistisch in te schatten en over het ego probleem heen wist te stappen. Nu nog wordt de emotie van de geschiedenisbeleving bepaald door dat sociale veld, nog steeds is de toon verongelijkt terwijl de feiten bekend zijn.

Mevrouw Grünberg-Klein zegt op blz. 40 over de gebeurtenissen: "De volwassenen wisten dat ze zich als christenen konden ontschepen. Wij kinderen wisten van niets".

Schuld en de St. Louis.
Ten slotte nog een opinie over de schuld: De Cubanen boden de vluchtelingen een reëele beslissingsvrijheid, men kon Cuba binnen onder leefbare voorwaarden die recht deden aan de politieke situatie in Cuba. Het formeel afwijzen van toegang voor de vluchtelingen was vanwege de geboden reëele achterdeur niet noodzakelijk noodlottig voor de vluchtelingen. Gegeven de politieke situatie in Cuba toen, lijkt de door de Cubaanse president geboden oplossing een van empathie getuigende vondst. Elke vluchteling die een paar minuten over zijn ego heen kon stappen was gered. De mensen hadden allemaal kunnen overleven maar vonden het belangrijker om hun ego te redden dan hun leven, en nu krijgen anderen daarvoor collectief een vorm van schuld toebedeeld.

Wat wel noodzakelijk noodlottig was, was de internering in de Heijplaat quarantaine toen de vluchtelingen in Nederland aankwamen en het daarop volgende gevangenschap. Toen werd de mensen hun vrijheid om te handelen afgenomen. Uitsluitend de Nederlanders en niet de Cubanen zijn in dit geval schuldig aan het verdere verloop omdat mensen die duidelijk het initiatief hadden genomen om te vluchten nog voor de bezetting door de Nederlandse overheid werden geïnterneerd en hun de vrijheid om over eigen lot te beslissen werd ontnomen. De aankomst op Heijplaat is de dramatische wending in het verhaal, niet de in essentie zelf gekozen terugkeer uit Cuba. De houding van de Cubaanse gemeenschap tegenover de vluchtelingen toen was milder dan de houding van Nederlanders. Hoe wordt dit in een statistische analyse ontdekt en hoe wordt het statistisch uitgedrukt?

Het lijkt individueel onvoorstelbaar hoeveel voorstelling wij collectief van de wereld hebben, en hoe die collectieve voorstelling onze individuele beslissingsruimte bepaalt.

Bundesarchiv Bild 102-16180, Berlin, Geheimes Staatspolizeiamt.jpg
Berlin, Geheimes Staatspolizeiamt - Foto: Bundesarchiv



Zie verder: 440 Hz, De juiste toon van Radio Berlin, Aantallen slachtoffers, Beelden, Bismarckturm, BoseOrte, Bush en Auschwitz, Continuïteit, De Amerikaanse economie, De Oorlog, De scalp van Geronimo, Dietrich Eckart, Eigen betrokkenheid, Europese politiek, Genetische Expressie, Geschiedenis van de geschiedenis, Hanns-Martin Schleyer, Herdenken, Het Verhaal, IQ van de Nazi top, International Business Machines Corporation - IBM, Kolonisatie, Koude amnestie, Kunst, Percentage Joodse slachtoffers in Nederland, Samenzweringen, Slachtofferschap, Stalags, True Conspiracies, Tweede Wereldoorlog, Kernfysica en Automatisering, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, VS kampioen van de mensenrechten, Waarheidscommissie, Literatuurlijst, Voorbij het Inferno